Verbonden Léven

Lc.21,5-11 (23/11/2021)

Enkelen wezen nu op de tempel, versierd met z’n mooie stenen en wijgeschenken. Maar hij zei: “Alles wat je hier aanschouwt, er zullen dagen komen dat geen steen op een andere gelaten wordt, alles zal verwoest worden!”
Ze stelden hem de vraag: “Meester, wanneer zal dat zijn? En wat is het teken wanneer dat gaat gebeuren?”
Hij antwoordde: “Let op dat jullie niet in dwaling raken! Want velen zullen in mijn naam zeggen: ‘Ik ben het, en de tijd is genaderd!’ Volg hen niet! Als jullie horen van oorlogen en onlusten, raak dan niet verschrikt. Deze dingen moeten eerst gebeuren maar zijn niet direct het einde.”
En hij voegde eraan toe: “Volk zal opstaan tegen volk, natie tegen natie, her en der zullen grote aardbevingen zijn, hongersnoden en epidemieën, verschrikkingen en hemeltekenen.”

Verwarrende tijden heb je blijkbaar … in alle tijden. Wij weten ervan, Jezus wist ervan. Het kan dus nuttig zijn dat wij als Christen even luisteren wat Jezus daarover te zeggen heeft – of sterker: misschien toont zich de echte innerlijke kracht van het Christendom zelfs als wij net in déze tijden er een beetje zouden gaan naar leven?!
Welke hints staan hier te lezen?
Loop niet in de valkuil van allerlei oogverblinding; loop niet zomaar achter iedereen aan die het meent te weten; dwaal niet, verdwaal niet, noch in wat allemaal wordt gezegd noch in je eigen gedachten of gevoelens; raak niet verschrikt!
Wat Jezus dus aanwijst als weg, is die van een helder oog, een heldere geest en een standvastige oriëntering. Christenen zijn mensen met een innerlijk kompas – tenminste, als ze er de moeite voor doen dat kompas (de Geest die in hen woont) te leren ont-dekken en volgen.
Wat zouden wij onze huidige wereld te bieden hebben als wij duidelijker – en dus zonder angst – mensen van dat Kompas zouden worden!

Lc.1,39-45 (19/12/2021)

Kort daarop reisde Maria met haast naar het bergland, naar een stad in Judea. Ze ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabet. Toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind in haar schoot op en Elisabet werd vervuld van heilige geest. Ze riep uit:
“Gezegend ben jij onder de vrouwen en gezegend de vrucht van jouw schoot! Vanwaar valt mij dit toe dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Kijk! Zodra de klank van je begroeting in mijn oor kwam, sprong het kind in mijn schoot op van uitbundige blijdschap. Gezegend wie vertrouwde, want wat haar vanwege de heer is gezegd zal vervulling vinden.”

Een feest van vertrouwen en leven!
Twee zwangere vrouwen die elkaar opzoeken om hun diepe vreugde te delen en elkaar praktisch te ondersteunen.
Om zwanger te worden, moet je zowel vertrouwen schenken, vertrouwen ontvangen en vertrouwen hebben in de toekomst! Het is de ‘voor-waarde’ voor nieuw leven. Of eigenlijk zou het wellicht juister klinken om het omgekeerd te zeggen (omdat ik vermoed dat verre van alle zwangeren éérst zo stilstaan bij dat vertrouwen): elke zwangerschap is uit zichzelf een uiting dat dat vertrouwen – en dat leven – er ís!
Zowel Elisabeth als Maria hebben dat spoor van leven gevolgd, en vieren dat nu met elkaar – en zelfs hun ongeboren kinderen vieren al mee. Gelukkige kinderen van gelukkige ouders! Vertrouwende kinderen van vertrouwende ouders! En dat spoor is blijven doorlopen, ook vandaag. Hoe vertrouwvol is het elke keer een zwangere te zien of een nieuwgeboren kind! Keer voor keer een getuigenis van leven – Léven.
Als wij nu allemaal eens zwanger zouden worden … van heilige Geest …

Lc.15,1-3.11-32 (27/03/2022)

Wie echter dichterbij kwamen om inderdaad te luisteren, waren allemaal ‘tollenaars en zondaars’ [uitschot in andermans ogen]. De farizeeën en schriftgeleerden morden daarover: “Die daar verwelkomt zondaars en eet met hen!” Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
“Iemand had twee zonen. De jongste zei tegen de vader: “Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.” En de vader verdeelde zijn bezit onder hen. Niet veel later zamelde de jongste alles bijeen en trok naar een ver land. Daar vergooide hij zijn vermogen met een reddeloos [asotèr / on-be-vrij-d] leven.
Toen hij nu alles uitgegeven had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Hij ging op zoek en klampte zich vast aan een stedeling, die hem naar zijn velden stuurde om varkens te hoeden. Hij wou zelfs zijn buik vullen met de schillen die de varkens aten, maar niemand gaf ze hem. Daar kwam hij tot zichzelf en zei: “Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed, terwijl ik hier om kom van de honger?! Ik zal opstaan, naar mijn vader gaan en hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou. Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden. Maak mij tot één van je dagloners.” En hij stónd op en ging naar zijn vader.
Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem al en raakte ten diepste bewogen. Hij snelde op hem af, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Nu zei de zoon tegen hem: “Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou. Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.”
Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Breng snel het voornaamste [= mijn] feestgewaad
en bekleed hem ermee, geef hem een ring [= familie-zegelring] aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten [= zodat hij als vrij man kan gaan waar hij wil]. Breng het vetgemeste kalf en slacht het. Laten we een feestmaal houden en blij zijn, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en werd teruggevonden!” En ze begonnen feest te vieren.
Nu was zijn oudste zoon op het veld. Toen hij aankwam en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van zijn knechten/jongens en ondervroeg hem wat dat allemaal was. Die zei nu tegen hem: “Je broer is teruggekomen en je vader heeft het vetgemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde onder geen beding binnenkomen.
Daarom kwam de vader naar buiten hem tegemoet en probeerde hem over te halen. Maar hij antwoordde zijn vader: “Kijk! Al zoveel jaren sta ik jou ten dienste en nooit heb ik een gebod van jou overtreden, en aan míj heb je nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van jou, die je vermogen heeft verbrast met hoeren, teruggekomen is, slacht je voor hém het vetgemeste kalf.”
Maar nu zei hij tegen hem: “Mijn kind, jíj bent altijd bij mij, en al wat van mij is, is van jou. Maar er moet feest en blijheid zijn, want die broer van jou was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en werd teruggevonden!””

We hadden ‘de verloren zoon’ acht dagen geleden pas (zie 19 maart), terwijl we het ‘al zo goed kennen’. Misschien juist daarom is het goed het opnieuw te overwegen, om te ontdekken hoe die parabels van Jezus telkens nieuw en inspirerend zijn! Begin alvast met te zien in v.1-2 dat dit gebeuren helemaal ligt in de lijn van wat we gisteren lazen (zie 26 maart).
G-ds hart staat wijd open, maar je moet er in binnen wíllen komen. Je kunt jezelf daar ook voor afsluiten. Dat gebeurt soms bewust, als wij ons afkeren, maar veel vaker nog onbewust, als wij ons op allerlei manieren beter achten dan de ander, zoals de oudste broer tegenover zijn jongere broer, terwijl het aanbod van de vader even goed voor hem geldt.
De vraag is opnieuw of wij kunnen erkennen dat wij G-ds liefde nodig hebben. Keren we ons naar hem toe, of van hem af? Dát maakt het verschil of wij ’bevrijd’ zullen leven of niet, niet of we een leven ‘in den vreemde’ leven of braaf thuiszitten …

 

Lc.19,18-24 (10/04/2022) 

Hierna trok hij verder naar Jeruzalem. En het gebeurde, toen hij Betfage en Betanië naderde, bij de berg die ‘van olijven’ genoemd wordt, dat hij twee van zijn leerlingen uitzond.
Hij zei: “Ga naar het dorp hier voor ons. Als je er binnengegaan bent, zul je een vastgebonden veulen vinden waarop nog niemand heeft gezeten. Maak het los en breng het. En als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?”, moet je zeggen: “Omdat de heer het nodig heeft.”
Die uitgezonden waren gingen nu weg en vonden het zoals hij hun gezegd had. Toen ze het veulen losmaakten, vroegen de heren ervan aan hen: “Wat maken jullie dat veulen los?” Ze zeiden nu: “De heer heeft het nodig.” En zij voerden het tot bij Jezus.
Zij wierpen hun mantel over het veulen en hielpen Jezus erop zitten. [Zach.9,9] Terwijl hij verder trok, spreidden zij hun mantels over de weg. Toen hij bijna beneden de berg van olijven was, begon de menigte leerlingen met luide stem verheugd God te prijzen om alle machtige daden die zij hadden gezien. En ze riepen: “Gezegend de komende – de koning – in de naam van de heer. Vrede in de hemel, en grootsheid in den hoge!”
Enige farizeeën uit de menigte zeiden hem: “Meester, wijs je leerlingen terecht!” Maar hij antwoordde hen: “Ik zeg jullie: als zij zwijgen, zullen de stenen schreeuwen.”
Koning op een ezel …

Weer een typische Jezus-paradox …, maar wel helemaal in de lijn van de in het Oude Testament aangekondigde Messias.
Koninklijk is deze intocht in Jeruzalem zeker, en Jezus laat het ook aan zich gebeuren. Want “ja, koning ben ik”, zal hij straks bij Pilatus erkennen.
Maar op een ezel, een beetje een geridiculiseerd, maar ondertussen toch maar schaamteloos gebruikt, dier. Een dier dat onze lasten draagt … En daarop een Mens – Goddelijke Mens – die onze lasten draagt …
Zou nu net niet zó’n koning bevrijdend zijn in ons leven? Een die bereid is in alle kracht en waardigheid onze lasten mee te dragen?
Meedragen waarheen? Tot wij hem weer verwerpen – en niet door hebben dat de lasten daarmee weer op onze eigen schouders komen? Tot op het kruis – waar we in ellende lijken ten onder te gaan? Of tot op Verrijzenisdag?
Ik weet niet wanneer die komt – ‘3 dagen’ is in de Bijbel een beeld voor een net niet onmogelijk lange tijd! – maar als ik vertrouw en zó lang mee ga met hem, zal ze er zijn!

Lc. 9,18-24 (19/06/2022)

Op zekere dag was Jezus aan het bidden op een eenzame plek.
Zijn leerlingen waren bij hem en hij vroeg hun: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Zij antwoordden: “Johannes de doper, anderen Elia, en nog anderen dat een van de vroegere profeten is opgestaan.”
“Maar jullie, vroeg Jezus, wie zeggen jullie dat ik ben?” Petrus antwoordde: “De gezalfde [christos / messiah] van God!” Maar hij drukte hen met klem op het hart dit aan niemand te zeggen. “Eerst zal de mensenzoon veel moeten lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen en gedood moeten worden en op de derde dag opgewekt zijn.”
Jezus zei tegen zijn leerlingen: “De mensenzoon zal eerst veel moeten lijden
en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen en gedood moeten worden en op de derde dag opgewekt zijn.”
En tegen allen zei hij: “Als iemand van zin is achter mij aan te komen, moet hij volstrekt neen zeggen tegen zichzelf, elke dag zijn kruis [symbool van de ter dood veroordeelde] opnemen en mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het redden.

Als je zin hebt om achter Jezus aan te gaan, bezin dan eer je begint! Het is niet niks. Er wordt ‘t één en ‘t ander van je verwacht. Een vaag idee van wie hij zou kunnen zijn of een vaag vermoeden van zijn naam is niet voldoende. Het is geen kwestie van namen noemen. Het gaat heel wat verder.
De Gezalfde navolgen, is zijn weg gaan door dik en door dun. Het is G-d zichtbaar laten worden in je leven niet door heldendaden, maar door daden van volgehouden liefde, daden van aandacht en zorg voor elkaar. Het is de weg van de minste gaan en jezelf kwetsbaar opstellen. Daarom is het nodig om af en toe de stilte in te gaan om op adem te komen en zijn Adem te laten binnenstromen.
Belijden dat Jezus de Gezalfde is, daagt uit zelf ´gezalfde´ te worden. Dat is de pijn van ons geloven, maar het geeft wel zicht op Léven.

Lc.1,39-56 (15/08/2022) – hoogfeest Maria Tenhemelopneming

Kort daarop reisde Maria met haast naar het bergland, naar een stad in Judea. Ze ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabet. Toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind in haar schoot op en Elisabet werd vervuld van heilige geest. Ze riep uit:
“Gezegend ben jij onder de vrouwen
en gezegend de vrucht van jouw schoot!
Vanwaar valt mij dit toe dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Kijk! Zodra de klank van je begroeting in mijn oor kwam, sprong het kind in mijn schoot op van uitbundige blijdschap.
Gezegend wie vertrouwde,
want wat haar vanwege de heer is gezegd
zal vervulling vinden.”

En Maria zong het uit:
“Mijn ziel maak groot de Heer,
uitbundig blij is mijn geest om God, mijn bevrijder,
want hij heeft omgezien
naar de kleinheid van zijn dienares.
Kijk! Vanaf nu zullen alle generaties mij gezegend noemen.
Want hij die geestkrachtig is,
deed grote dingen aan mij.
Heilig is zijn Naam!
Zijn barmhartigheid duurt over alle generaties
voor wie hem vreest.
Hij toont machtige daden
en slaat hoogmoedigen van hart uiteen;
machthebbers haalt hij neer van hun troon
en kleinen maakt hij groot;
hongerigen vervult hij met goede gaven
en rijken stuurt hij weg met lege handen.
Hij trekt zich Israël, zijn dienaar, aan,
her-innerend zijn tederheid
– zoals hij het gezegd had tegen onze vaders –
voor Abraham en voor alle generaties, tot in eeuwigheid.”
Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde dan naar huis terug.

Maria zingt vol vertrouwen, wetende dat het niet eenvoudig zal zijn. En toch … Ze zingt en staat ze open en ontvankelijk voor het leven dat haar gegeven wordt. Ze brengt iets aan het licht van een oermoederlijk instinct, een vasthoudendheid en een liefde die bergen verzet. Of ze ooit iets van die gekke zoon van haar heeft begrepen, weet ik niet. Misschien is ze – net als de leerlingen - pas na de verrijzenis gaan begrijpen wat de diepere kern van zijn leven was.
Maar voorafgaand dat geloofsinzicht, voorafgaand alle mooie voorstellingen is er dat onverwoestbaar moederlijke instinct: dit is mijn kind, ik ben er voor hem. Zij verbeeldt het oudste gevoel dat ons leven beheerst: krachtige nabijheid, liefde die zich door geen geweld laat afschrikken, goddelijke liefde. Zo leeft ze: als vasthoudende kracht voorbij leven en dood, als troost voor een met tranen gevuld gezicht. Zo geeft zij het leven door en net als zij mogen ook wij elkaar leven door-geven, in de zorg die we dragen voor elkaar doorheen het leven van alledag.