Verbonden Léven

Lc.10,38-42 (5/10/2021)

Terwijl ze verder trokken [naar Jeruzalem], gebeurde het eens dat hij in een dorp kwam waar een zekere vrouw die Marta heette hem in haar huis ontving. Ze had ook een zus die Maria heette. Deze ging bij Jezus neerzitten en luisterde naar zijn woorden. Marta werd rondgetrokken door het vele bedienen. Ze kwam er even bij staan en zei: “Heer, doet het jou niets dat mijn zus mij alleen laat met het bedienen? Zeg dan toch tegen haar dat ze met mij meehelpt.”
Jezus antwoordde haar: “Marta, Marta, wat ben je bezorgd en laat je je verontrusten door zoveel dingen. Nodig is één te zijn. Maria heeft voor dit goed gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.”

Dit verhaal gaat niet over twee vrouwen van vlees en bloed en het tafereel speelt zich ook niet af ergens in een huisje in een dorp waar Jezus met zijn leerlingen langskomt. Het verhaal gaat er over hoe Jezus’ boodschap, al dan niet, een plaats kan krijgen in twee verschillende levenswijzen. De twee horen echter bij elkaar en zoeken in élke mens naar het juiste evenwicht.
Martha: zij houdt het huis op orde, is plichtsgetrouw en doet nauwgezet wat van haar verwacht wordt. Door haar bedrijvigheid vindt ze niet de tijd en de rust om Jezus’ boodschap te horen.
Maria: zij zet zich neer aan de voeten van Jezus, in vertrouw-volle overgave. Zij wil geen woord missen van wat hij te zeggen heeft. Zij stelt zich ontvankelijk op en neemt het misschien niet zo nauw met regels en verwachtingen. Zij neemt de tijd om te luisteren naar Jezus ook al moet ze daarvoor even al de rest gewoon links laten liggen.
Bij hen is Jezus te gast en zegt: “Martha, Martha, wat maak je je bezorgd!” Laat toch alle verwachtingen los en leef, open en ontvankelijk, gericht op G-ds woord. Dan zal je het geheim van Maria op het spoor komen en dat zal je niet ontnomen worden.

 

Lc.11,37-41 (12/10/2021)

Nadat Jezus zo sprak, vroeg een farizeeër of hij bij hem wou komen eten. Hij kwam het huis binnen en ging meteen aanliggen. De Farizeeër merkte dit op en verwonderde zich dat hij vóór de maaltijd niet eerst zich [de handen] waste [zoals een door de farizeeën opgelegde regel het stelde].
Maar de heer zei tot hem: “En jullie dan?! Jullie Farizeeën reinigen wel de buitenkant van beker en bord, maar jullie binnenkant is vol hebzucht en slechtheid! Stukken onverstand! Heeft hij die de buitenkant maakte ook niet de binnenkant gemaakt? Geef dus liever de binnenkant in barmhartigheid, dan zul je zien dat alles rein is.”

Jezus vaart nogal uit over iets wat toch maar een detail lijkt. Het was nu eenmaal de gewoonte om de handen te wassen eer aan tafel te gaan. Eigenlijk een hygiënische maatregel, waar dan een religieus tintje werd aan gegeven (gebeurt nu ook nog, alleen heet dat religieus tintje nu wetenschap).
Kan Jezus daar wat tegen hebben?
In het Evangelie wordt voldoende duidelijk dat Jezus helemaal niet tégen zijn eigen geloof optreedt. Integendeel: hij wil het in z’n oorspronkelijkheid – radicaliteit – beleefd zien. Daarom roept hij de mensen op tot ‘bekering’, ommekeer, terug naar de oorsprong dus. En daar hoort óók bij dat de innerlijke beleving in eenklank is met de uiterlijke vormgeving daarvan.
Een geloof dat zich niet laat zien in uiterlijk gedrag, is alleen maar vroom gepraat. Gods-dienst móet zich vertalen in vormen en structuren. Maar wie denkt er te zijn door alleen maar het uiterlijk gedrag na te doen, die mist de kern van de zaak.
Als het niet klopt aan de bínnenkant, dan windt Jezus zich op. (Als het wel klopt aan de binnenkant, volgt de buitenkant vanzelf.) Zou hij zich over mijn leven op te winden hebben?

Lc.12,39-48 (20/10/2021)

“Maar weet goed: Als de heer des huizes geweten had op welk uur de dief kwam, dan had hij wel gewaakt en niet toegelaten dat er ingebroken werd in zijn huis. Wees ook jullie dus bereid [klaargemaakt én bereidwillig], want je weet niet op welk uur de mensenzoon komt.”
Petrus vroeg hem nu: “Heer, bedoel je deze gelijkenis voor ons alleen, of ook voor allen?”
De Heer antwoordde: “Wie zou die trouwe en verstandige huismeester zijn die de heer zal aanstellen over zijn personeel en die op de gepaste tijd hen het eten geeft dat hen toekomt? Gezegend de dienaar die zó bezig is wanneer de heer thuiskomt. Waarlijk, ik zeg jullie dat hij hem zal aanstellen over alles wat hij bezit. Maar als die dienaar in zijn hart zegt: mijn heer neemt er de tijd van, en hij begint de knechten en meiden te slaan en eet en drinkt tot hij dronken wordt, dan zal de heer van die dienaar komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent; hij zal worden verwijderd van zijn heer en ondergaan het lot van de ontrouwen.
De dienaar die de wil van zijn heer heeft leren kennen, maar zich daar niet heeft op voorbereid en gedaan, zal met vele slagen geslagen worden. Als hij die echter niet heeft leren kennen en heeft gedaan wat straf verdient, zal hij met weinig slagen geslagen worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden gevraagd; en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal veel worden geëist.”

Waakzaamheid. Het is een thema dat we in de Advent horen, maar dat uiteraard niet voorbehouden is voor die tijd. Zoals we gisteren al hoorden, is wachten – in tegenstelling tot wat we spontaan denken – geen passieve zaak. Het is een tijd om ons voor-te-bereiden.
‘Bereiden’ is een interessant woord! We gebruiken het in twee toch wel enigszins verschillende betekenissen:
· We bereiden een maaltijd: d.w.z. dat we allerlei handelingen stellen om tot een goede maaltijd te komen. Het werk komt vooraf, het genieten achteraf. De ‘werker’ en de ‘genieter’ zijn niet noodzakelijk dezelfde. Zo dus ook met de bereiding van onszelf voor de komst van Gods koningschap!
· We zijn bereid: d.w.z. bereidwillig, we geven toestemming, schakelen ons in in een plan. Ook hier impliceert dat iets wat buiten mezelf valt. De handeling van de bereidheid moet nu al blijken, voor iets wat pas later zal komen.
In de waakzaamheid komen beide betekenissen van ‘bereiden’ samen!
Er wordt ons heel veel toevertrouwd. (Ons werk, onze goederen, de mensen om ons heen, en ja zelfs ook ‘het rijk van G-d’.) Zullen wij ons dan ‘bereiden’, klaar maken én bereidwilliger worden, om dát mogelijk te maken (en niet ons eigen goesting of willetje)?

Lc.6,12-16 (28/10/2021)

Het gebeurde nu in die dagen dat hij wegtrok naar de berg om te bidden. Hij was de hele nacht door in gebed van God.
Toen het dag werd, riep hij zijn leerlingen bij zich en koos er twaalf uit die hij afgezanten [apostolos] noemde:
Simon, die hij ook rots [petros] noemde,
en zijn broer Andreas,
Jakobus en Johannes,
Filippus en Bartolomeüs,
Matteüs en Tomas,
Jakobus [de zoon] van Alfeüs
en Simon die de ijveraar [zeloot] genoemd werd,
Judas van Jakobus
en Judas, de man van Keriot, die een verrader werd.

Jezus staat voor een belangrijke beslissing: Hoe zal hij verder gaan? Alleen? Zal hij mensen zoeken om mee te werken aan het Visioen dat hem is toegezegd? Wie? …
Met deze vragen richt hij zich tot G-d. Hij trekt zich terug op een berg en bidt om te kunnen onderscheiden wat hem te doen staat. Hij loopt niet rap even een kerk binnen en buiten, maar de hele nacht is hij in gebed. Heel de nacht legt hij zijn oor te luisteren bij G-d, wetende dat zijn verbondenheid met G-d, hem de goeie richting zal wijzen. Zo gaat het immers altijd. Zijn keuzes en beslissingen vloeien voort uit de intense verbondenheid met die Ene.
Als de dag aanbreekt kiest Jezus, zonder enige aarzeling, twaalf apostelen uit. Hij wil/kan niet zonder hen. Voor hem is de samenwerking – G-d en mens, mens en G-d – noodzakelijk. Met mensen en vertrouwend op G-d bouwt hij verder aan G-ds rijk! En het gaat verder ...

Lc.13,25-33 (3/11/2021)

[Jezus trok verder naar Jeruzalem en] velen trokken met hem mee. Hij keerde zich naar hen toe en zei:
“Wie dichter bij mij wil komen, maar zich niet losmaakt van zijn vader en moeder, van zijn vrouw en kinderen, van zijn broers en zussen, meer nog: van zichzelf, kan onmogelijk mijn leerling zijn. En wie zijn [op deze weg onvermijdelijke] kruis niet draagt en mij volgt op mijn weg, kan onmogelijk mijn leerling zijn.
Want wie van jullie die een toren wil bouwen, zal niet eerst er bij gaan zitten om de kosten te berekenen en te weten of hij hem wel zal kunnen afwerken? Anders legt hij misschien het fundament, maar is niet in staat het werk te voltooien, en begint al wie dit ziet hem te bespotten: “Die mens begon te bouwen, maar was niet in staat het te voltooien!” Of welke koning die ten strijde trekt tegen een andere koning, zal niet eerst er bij gaan zitten om te beraadslagen of hij met tienduizend man in staat is op te trekken tegen de twintigduizend die op hem af komen? Anders zal hij, wanneer ze nog ver zijn, een gezant uitsturen en vragen naar de voorwaarden tot vrede.
Zo kan elk van jullie die niet loskomt van alles wat hem toebehoort, mijn leerling niet zijn.”

Wat denk ik dat ‘mij toebehoort’, mij eigen is, mijn houvast uitmaakt? Wie ‘dichter bij Jezus’ wil komen, denkt daar maar best eerst eens over na. En niet alleen over wat dat dan juist zou kunnen zijn, maar vooral over het lastige feit dat hij er zich zal van moeten losmaken!
(Jezus spreekt zich hiermee niet uit tégen familie- of andere relaties, maar zegt wel dat ze mij niet mogen verhinderen om in zijn looprichting te gaan.)
In Jezus’ leven stond het kruis als consequentie van zijn liefde. Wie dichter bij Jezus wil komen, zal dus ook onvermijdelijk het kruis ontmoeten.
‘Het kruis’ is:
je losmaken van waar je aan vast zit – doet pijn!;
met minder kunnen dan je meestal denkt, en dat gaat zowel over materiële zaken als over eigen overtuigingen;
duidelijke keuzes maken, en weten dat ‘kiezen verliezen is’;
de consequenties van de liefde niet uit de weg gaan;
eenzaamheid, omdat velen je niet meer kunnen volgen, waardoor je alleen nog Jezus overhoudt;

 

Lc.19,1-10 (16/11/2021)

Nu ging hij Jericho binnen en trok erdoor. Kijk! Er was iemand die Zacheüs heette. Hij was hoofdtollenaar en een rijk man. Hij trachtte Jezus te zien, wie hij was, maar het lukte hem niet door de menigte, want hij was klein van gestalte.
Hij rende vooruit en klom in een wilde vijgenboom om hem toch maar te zien, want Jezus zou daar langs komen. En toen hij op die plaats was, keek Jezus omhoog, zag hem, en zei tegen hem: “Zacheüs, haast je, kom omlaag, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.” Hij haastte zich omlaag te komen en ontving hem vol vreugde.
Allen die dit zagen, morden nogal: “Hij is bij een zondaar binnengegaan om er te verblijven!” Maar Zacheüs ging voor de Heer staan en zei: “Ziehier, Heer, de helft van alles wat ik heb, zal ik aan de armen geven, en als ik iemand iets heb afgeperst, zal ik het viervoudig teruggeven.” Nu zei Jezus tegen hem: “Vandaag is vrijmaking aan dit huis gebeurd. Ja, ook hij is een zoon van Abraham. Want de mensenzoon is gekomen om te zoeken en vrij te maken wat verloren was.”

Met Zacheüs blijven we nog even in Jericho. Opnieuw valt, zoals gisteren, de tegenstelling op tussen de drukke menigten enerzijds en de aandacht voor de ene mens die bevrijding nodig heeft anderzijds. Bonhoeffer zei ooit: “Wie een mens veracht zal nooit iets met hem kunnen beginnen. We moeten leren de anderen aan te zien, niet zozeer op hun doen en laten, maar op hun lijden.” Zo moet Jezus deze man, die kleine man die zichzelf verachtte en gebukt ging onder het isolement van misprijzen, hebben aangezien. Hij sprak hem aan op wie hij ten diepste was, op het zuiverste dat in hem was. En Zacheüs liet zich aankijken. Hij liet zich raken waardoor hij de mooie mens werd die hij in wezen was. Bevrijd kan hij uitdelen van zichzelf en zorgt hij er voor dat niemand nog te kort gedaan wordt.
Is het Jezus die deze verandering, bekering, bewerkstelligt? Of is het Zacheüs zelf die zijn keuze maakt en zijn leven voortaan over een heel andere boeg gooit? Het wonder van een intense ontmoeting, is nooit helemaal te grijpen. Maar een ding is zeker: Uit een echte ontmoeting (dat moment waar je gezien en gekend wordt) daar kom je altijd anders uit dan dat je er in ging.