Verbonden Léven

Lc.14,15-24 (2/11/2021)

Eén van de tafelgenoten hoorde dit en beaamde: “Gezegend wie mag maaltijd houden in het koninkrijk van God!”
Jezus antwoordde hem: “Iemand richtte een groot gastmaal in en had veel mensen uitgenodigd. Op het uur van het gastmaal zond hij zijn dienaar om de genodigden te melden: “Kom, alles is bereid.” Maar onverwacht begonnen zij allen zich te verontschuldigen: “Ik heb een akker gekocht en ik moet die gaan bekijken; ik vraag je mij te willen verontschuldigen.” “Ik heb vijf ossenspannen gekocht en moet die gaan proberen; verontschuldig mij.” “Ik ben pas getrouwd, daarom kan ik niet komen.” Bij thuiskomst meldde de dienaar dit aan zijn heer. Die werd woedend en zei nu tegen zijn dienaar: “Ga vlug naar de pleinen en stegen van de stad. De armen en gebrekkigen, de lammen en de blinden, breng ze hier binnen!” De dienaar zei: “Heer, wat je opgedragen hebt, is gebeurd, en nog is er plaats.” De heer zei tot de dienaar: “Ga naar de wegen en paden buiten de stad en nodig de mensen met aandrang uit binnen te komen, zodat mijn huis vol raakt. Want ik zeg jullie: Niemand van wie uitgenodigd waren, zullen proeven van mijn gastmaal.”

Net als gisteren klinkt ook vandaag: “Gezegend wie…”. Dus: en marche! Vooruit, op weg ermee!
Het enige wat je moet doen, is komen, want alles is al bereid. De vraag is of ík bereid ben?
Eén voor één klinken de verontschuldigingen (heel herkenbaar): “Ik heb, ik moet, ik vraag … “ . Al die ikkige doenerigheid verhindert mensen om in te gaan op de uitnodiging. ”Sorry maar jij past nu niet in mijn agenda. Er moet (?) nog zoveel.”
Gevolg: zij die genodigd waren zullen niet mee feesten. Zij zullen de smaak van het koninkrijk niet proeven.
Anderen, nl. zij die in de ogen van de goegemeente niet thuis horen in de actieve – de ‘normale’ – maatschappij, worden aangesproken. Zij die rondhangen op pleinen en in stegen, worden met aandrang gevraagd om binnen te komen en mee aan te schuiven aan de tafel. Zij zullen de smaak van G-ds rijk kunnen proeven.
En … er is nog plaats!

 

Lc.17,1-6 (8/11/2021)

Tegen zijn leerlingen zei hij nu: “Het is onvermijdelijk dat er struikelstenen komen, maar wee degene door wie ze komen. Het is beter voor hem dat een molensteen rond zijn nek wordt gelegd en hij in zee wordt gegooid, dan dat hij ook maar één van de kleinen doet struikelen.”

“Neem jezelf in acht! Als je broer zondigt, wijs hem terecht; en als hij zich toekeert, vergeef hem. Zelfs als hij zeven keer op een dag tegen je zondigt, maar zeven keer keert hij zich weer naar je toe, dan moet je hem vergeven.”

Nu zeiden de apostelen: “Heer, vergroot ons vertrouwen!” De Heer zei: “Als jullie vertrouwen hadden zoals een mosterdzaadje, zouden jullie tegen deze boom zeggen: ‘word ontworteld en geplant in de zee’, en hij zou jullie gehoor geven.”

We hebben Jezus niet nodig om te weten dat we wel (meer dan) eens struikelen! ☹ Het is een geruststelling dat Jezus zegt dat dat onvermijdelijk is. Het leven is nu eenmaal een hobbelig pad.
We zouden er ons vandaag makkelijk van af kunnen maken met te denken: Oef, Jezus heeft compassie met ons en zal ons wel vergeven (zoals hij zelf verkondigt). ’t Zijn de mensen die die struikelstenen in mijn leven léggen die ervan langs zullen krijgen.
Zelfs bovenstaande is al kort door de bocht, alsof we niet mínstens zouden moeten proberen niet ‘de ezel uit te hangen’ en geen twee maal over dezelfde steen te struikelen? Maar we zouden ons vanuit dezelfde evangelische boodschap ook de vraag moeten durven stellen: In wiens leven lég ík struikelstenen? Dat doen we ongetwijfeld meer dan we denken, meer dan we willen, meer dan we in de gaten hebben … maar ondertussen liggen ze er wel en zijn er anderen die erover struikelen!
Als we groter vertrouwen vragen, dan mag dat zijn om weer op te staan nadat we gestruikeld zijn, maar ook om met meer durf te zien waar wij struikelstenen léggen.

Lc.18,35-43 (15/11/2021)

Jezus naderde Jericho. Een blinde zat langs de weg te bedelen. Toen die de doortrekkende menigte hoorde, vroeg hij wat er aan de hand was. Ze zeiden hem dat Jezus van Nazareth voorbijkwam.
Hij schreeuwde: “Jezus, zoon van David, ontferm je over mij!” Degenen die voorop liepen
legden hem het zwijgen op, maar hij schreeuwde nog luider: “Zoon van David, ontferm je over mij!”
Jezus bleef staan en beval dat hij bij hem gebracht zou worden.
Toen hij naderbij gekomen was, stelde hij hem de vraag: “Wat wil je dat ik je doe?” “Heer, dat ik weer kan zien!” “Zie weer, zei Jezus, je vertrouwen heeft je behoed.”
En onmiddellijk kon hij weer zien en volgde Jezus, God lovend. Iedereen die dit gezien had, loofde God.

Ondanks alles blijft een menigte Jezus volgen op zijn weg naar Jeruzalem. Onderweg, te midden van alle drukte, hoort en ziet Jezus een man aan de kant van de weg, uitgerangeerd. De man roept met alle kracht die in hem is. Hij laat zich niet langer in een hoekje duwen. Het is nu of nooit. Als hij zijn leven wil leven, zal hij actie moeten ondernemen. En als iemand hem hierbij zou kunnen helpen dan is het Jezus, daar is hij van overtuigd. Hij schreeuwt zijn geloof en vertrouwen uit, terwijl de menigte hem het zwijgen oplegt. En Jezus blijft staan, onderbreekt zijn weg voor de roep van deze man en roept hem.
Roepen en geroepen worden, daar draait het om.
"Heb goede moed! Sta op! Het leven zelf roept je! De liefde roept je!”
De man gaat in op de concrete uitnodiging van de liefde die voorbijkomt op zijn weg, een liefde die bevrijdt.
Zal ik zien, horen en schreeuwen? Zal ik me open stellen voor de Liefde? Ga ik in op wie mij roept en wat als dat G-d is?

Lc.21,1-4 (22/11/2021)

Jezus keek op [zittend in de voorhof van de tempel met zijn leerlingen] en zag de rijken hun gaven in de offerschaal werpen. Maar hij zag ook een arme weduwe die er twee kopermuntjes in wierp. En hij zei:
“Naar waarheid, ik zeg jullie: Die arme weduwe heeft het meest van allen erin geworpen, want zij wierpen iets uit hun overvloed bij de gaven, maar deze vrouw, vanuit haar tekort, wierp alles wat ze had erin: haar leven!”

Leven vanuit je tekort …
Je schamelheid erkennen; je geen illusies maken over je eigen kunnen en hebben; wéten dat wat je hebt en doet het uiteindelijk niet zullen redden; wéten dat je leven – en vooral je Léven – van élders moet komen, dat je dat alleen kunt ontvángen; en dat ontvangen alleen kan met open, lege handen …
Het kan allemaal mooi klinken, maar het is aartsmoeilijk – zo blijkt toch (of voor jou niet soms?).
En toch is het dát wat Jezus hier aanwijst als een levengevende weg. Hij prijst niet de armoede van die vrouw, hij prijst haar overgave. (En bemerk dat er ook geen hele rij armen staat aan te schuiven om hetzelfde te doen!)
Zou ík ‘alles wat ik heb’, net ook als ik denk dat dat maar weinig is, aan G-d willen schenken, in het vertrouwen dat hij er wel het zijne zal mee doen voor de opbouw van zijn Koninkrijk? En wat als ‘dat weinige dat ik heb’ eens zou zijn: mijn tijd, mijn gezondheid, mijn hart, mijn engagement, mijn geld, mijn idee, …

 

Lc.5,17-26 (6/12/2021)

Eens was Jezus aan het onderrichten. Er waren farizeeën en wetsleraren gekomen uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem. En de geestkracht tot heling was in hem.
Kijk! Er waren enkele mannen die op een draagbaar iemand droegen die verlamd was. Ze probeerden hem binnen te dragen en onder zijn aandacht te brengen. Maar door de menigte vonden ze geen doorgang om hem binnen te dragen. Daarom gingen zij het dak op en lieten hem op de draagbaar neer, door de daktegels heen, vlak voor Jezus.
Bij het zien van hun vertrouwen, zegt hij tegen hem: “Je zonden zijn je vergeven.” De schriftgeleerden en farizeeën begonnen onderling te discussiëren: “Wie is hij wel, dat hij zo godslasterlijk spreekt? Wie kan zonden vergeven behalve God alleen?” Maar Jezus onderkende hun redeneringen en vroeg hun: “Wat redeneer je daar in je hart? Wat is makkelijker te zeggen: ‘je zonden zijn je vergeven’ of ‘sta op en loop’? Welnu, zodat jullie zouden weten dat de mensenzoon volmacht heeft op aarde zonden te vergeven, ik zeg je – zei hij nu tegen de verlamde: Sta op, neem je draagbaar en ga naar huis.”
En onmiddellijk stond hij voor aller ogen op, hij nam op waar hij eerst op neerlag, vertrok naar huis en verheerlijkte God. Ontzetting beving allen en zij verheerlijkten God. Zij werden vervuld van vrees: “Vandaag hebben wij onverwachtbare dingen [paradoxen] gezien!”

Wat willen ze nu weer met mij doen? Best dat ik mijn vrienden heb die mij brengen waar ik moet zijn, want zelf kan ik dat niet. Maar soms brengen ze me ook waar ik níet wil zijn, en daar heb ik geen verweer tegen. Zo gaat dat als je verlamd bent.
Nu dragen ze me door een menigte – hoe beschamend en benauwend. En kijk, nu willen ze met mij nog het dak op! Kun jij je ook maar enigszins voorstellen hoe het voelt als ze je op zo’n al wankele draagbaar aan vier koorden naar beneden laten en al dat volk daarop staat te gapen?
En dan beginnen ze daar boven je hoofd – letterlijk en figuurlijk – een of andere idiote discussie. Laat mij alsjeblief toch gerust! Heb ik nog geen miserie genoeg?
En dan zegt één van die discusieerders – dan toch één iemand die tegen míj spreekt –: “Je zonden zijn vergeven.” Wat is dat nu voor iets? Ik weet ook wel dat ik zondig, maar dat hoeft hij hier niet publiekelijk te verkondigen! Wat doet dat er hier toe? Maar vreemd genoeg lijken die woorden van hem wel iets in mij te doen. Ze lijken toch iets los te maken van waar ik in vast zat. Ze lijken mij vrij te maken en te bevrijden van wat mij verlamt. Zijn tweede woord is dan ook ‘slechts’ een bevestiging van zijn eerste: “Sta op en loop!” En dat doe ik …
… dankzij mijn vrienden die mij brachten waar ik niet wou of niet kon, maar waar zíj wel het vertrouwen in hadden …

 Lc.3,10-18(12/12/2021)

De menigte vroeg nu aan Johannes de doper: “Wat moeten wij dan doen?” Hij gaf hen als antwoord: “Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft, moet hetzelfde doen.”
Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen. Ook zij vroegen hem: “Meester, wat moeten wij doen?”
Tegen hen zei hij: “Vorder niet meer dan jullie is voorgeschreven.”
Ook soldaten vroegen hem: “En wij, wat moeten wij doen?” Tegen hen zei hij: “Je mag niemand uitschudden of afpersen. Wees tevreden met je soldij.”
Het volk koesterde een verwachting en vroeg in hun binnenste af of Johannes soms de Gezalfde [christos / messiah] zou zijn. Johannes antwoordde openlijk:
“Ik, ik doop jullie wel met water, maar er komt een sterkere dan ik, van wie ik niet eens geschikt ben om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen in heilige geest en vuur! Hij heeft de wan [dorsvlegel] in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren. Het graan zal hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur!”
Zo en op andere wijzen spoorde hij hen aan en verkondigde het volk de goede boodschap.

In onze maatschappij is er niet veel ruimte voor het heilige, laat staan voor de levende G-d. Ik vraag mij daarom wel eens af welk soort inspirerende profeet (voorganger) onze westerse mentaliteit kan doen keren: een figuur die ons wakker schudt uit onze comfortabele zelfgenoegzaamheid, of een zachte leider, vol deemoed, weg-wijzend van zichzelf die zo de verwachting van iets nieuw hooghoudt? Of is het een combinatie van beiden?
Als er ruimte vrij komt om die profeet met z’n oproep tot delen, tevredenheid en intense luisterbereidheid toe te laten, dan kan ook G-ds Woord klinken, én borrelt er gegarandeerd een grote creativiteit op om de altijd onverwachte en zich anders aandienende G-d te begroeten: Misschien in een kind, misschien in een ontmoeting met de meest kwetsbare, misschien in een ….
Zou het enkel een kwestie zijn van enkele weken wachten? Of laat ik met uitdagen om de onnodige muren af te breken en het onbeschermde toe te laten, me te laten raken door de vragen en noden van rafelrandmensen? Misschien is het wel daar, op die plek dat G-d zich aandient?