Verbonden Léven

Joh.1,35-42 (4/01/2023)

De volgende morgen [na zijn ontmoeting met Jezus] stond Johannes [de doper] daar weer, met twee van zijn leerlingen. Toen hij Jezus opmerkte die daar rondwandelde, zei hij: “Kijk! Het lam van God!” De twee leerlingen hoorden hem dit zeggen en gingen Jezus achterna.
Jezus keerde zich om en zag hen achterna komen. Hij vroeg hun: “Wat zoeken jullie?” Ze antwoordden: “Rabbi – vertaald betekent dit: meester –, waar verblijf jij?” Hij zei: “Kom en zie!” Dus gingen ze mee en zagen waar hij verbleef, en ze bleven de hele dag bij hem. Dat gebeurde op ongeveer het tiende uur.
Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee leerlingen die dit van Johannes hoorden en Jezus waren gevolgd. Voor alles vond hij zijn broer Simon en zei hem: “We hebben de messias gevonden – wat vertaald betekent: de gezalfde [christos] – en hij bracht hem bij Jezus. Toen Jezus hem zag, zei hij: “Jij bent Simon, de zoon van Johannes? Je zult genoemd worden: Kefas.” – wat vertaald betekent: rots [Gr.: petros – Lat.: petrus]

Johannes doet iets wat alleen échte leraren doen: hij verwijst zijn eigen leerlingen naar een ander! “De komst van het rijk G-ds gaat niet over mij, zegt hij. Ik heb het alleen aan te kondigen en aan te wijzen. Welnu, ik wíjs het je aan: Kijk! Het lam van G-d! Ga hém achterna.”
Oneigenlijke leraren – dat zijn leraren die misschien wel wat kennis, maar niets profetisch in zich hebben – verwijzen hun leerlingen niet naar een ander, maar binden die aan zichzelf.
Minstens één van die twee die er gehoor aan gaven, heeft het niet alleen gedaan, maar ook verstaan, want op zijn beurt houdt hij zijn vondst niet voor zichzelf maar gaat ermee naar een ander om het te delen. Hoe klein dat gebaar ook mag lijken, het had gigantische gevolgen! Hij legde er immers de eerste ‘steen’ (petrus) mee voor wat later de hele Christus-beweging zou worden.
Aan ons dus om van ons weg te wijzen: het gaat om Christus, niet om ons; en om die boodschap niet voor onszelf te houden maar anderen daarin te betrekken. Je weet niet (en hoeft ook niet te weten) wat je veroorzaakt …

Joh.1,43-51 (24/08/2021)

De volgende morgen besloot Jezus naar Galilea te gaan. Hij ging er Filippus zoeken [heuriskei = vinden door actief te zoeken] en zei hem: “Volg mij.” Filippus was van Betsaïda, uit de stad [vissersdorp aan de noordkant van het meer van Galilea] van Andreas en Petrus.
Filippus ging Natanaël [de traditie vereenzelvigt hem met de apostel Bartolomeus] zoeken en zei hem: “Wij hebben degene gevonden over wie Mozes geschreven heeft in de Wijzing, en ook de profeten: Jezus, de zoon van Jozef uit Nazaret!” Natanaël repliceerde: “Uit Nazaret? Kan daar iets goeds van komen?” Maar Filippus zei hem: “Kom en zie!”
Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei over hem: “Kijk! Een waarachtige Israëliet, iemand wiens hart geen ongerechtigheid herbergt.” [Ps.32,2] Natanaël vroeg hem: “Vandaar ken jij mij?” Jezus antwoordde: “Vóór Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat, zag ik jou!” Nu zei Natanaël: “Rabbi, jij bent de zoon van God, jij bent de koning van Israël!” Jezus antwoordde hem: “Omdat ik je zei dat ik je zag onder de vijgenboom, geloof je? Je zult grotere dingen dan deze zien!”
En hij zei: “Amen, amen, ik zeg jullie: Je zult de hemel geopend zien en Gods engelen zien opklimmen en neerdalen op de mensenzoon.”

“Kom en zie!” “Kijk!” “Ik zag jou onder de vijgenboom” ….
Tot geloof komen, heeft duidelijk te maken met ‘zien’. Van bij het begin waren er mensen die zagen hoe Jezus sprak en optrad. Mensen die door hem gekend werden en die toelieten dat hij hen aankeek.
Zo kwamen zij tot ‘zien’. Dankzij hun getuigenis ontstond er een lange traditie van ge‘zien’ worden, ‘zien’ en verder vertellen, een traditie die nog steeds doorgaat.
Zo wordt geloof doorgegeven, niet als dogma, maar steunend op getuigenissen van mensen die ‘gezien’ hebben en hierover niet kunnen zwijgen. Telkens weer gaat het over heel concrete gebeurtenissen die mensen op een andere manier naar het leven doen kijken – liefdevol. En wie liefdevol kijkt, ‘ziet’ waar het om gaat en wekt anderen tot geloven.
En ja, het initiatief vertrekt bij G-d. Het is hij die roept, die ons aankijkt, maar zijn roepen kan maar gehoord worden langsheen de stem van mensen. Een stem die je raakt, aanspreekt en je doet ‘zien’ – vol liefde.

Joh.5,1-3a.5-16 (29/03/2022)

Later was er een feest van de Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem. In Jeruzalem nu, bij de Schaapspoort, is er een vijver, die in het Hebreeuws Betesda/Bethzatha genoemd wordt, en vijf zuilengangen heeft. In die gangen lag altijd een groot aantal zieken, verlamden en verdorden.
Er was daar ook iemand die al achtendertig jaar ziek was. Jezus zag hem liggen en wetende dat hij daar al lang lag, vroeg hij hem: “Is het je bedoeling gezond te worden?” De zieke antwoordde hem: “Heer, ik heb geen mens die, wanneer het water in beroering komt, mij in de vijver helpt, en terwijl ik het zelf probeer, daalt een ander vóór mij erin af.” Jezus zei tegen hem: “Ontwaak! Neem je draagbaar en wandel!” Onmiddellijk werd hij gezond, nam zijn draagbaar en wandelde rond. Die dag was een sabbat.
Daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat. Het is je niet geoorloofd je draagbaar op te nemen.” Hij antwoordde hun: “Degene die mij gezond heeft gemaakt, híj heeft mij gezegd: neem je draagbaar en wandel.” Ze vroegen hem dus: “Wie is die mens, die jou gezegd heeft ‘neem je draagbaar en wandel’?” Maar de genezene wist niet wie het was. Jezus had zich ondertussen teruggetrokken in de menigte.
Later vond Jezus hem in de tempel en zei hem: “Kijk! Je bent nu gezond geworden. Zondig [verwijder] je niet meer opdat er je niets ergers overkomt.” De genezene ging weg en berichtte aan de Joden dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.
Hierom begonnen de Joden Jezus te (ver)volgen en zochten ze hem te doden, omdat hij zo’n dingen deed op sabbat.

We zijn alweer in Jeruzalem. We mogen ons dus aan een ‘religieus’ thema verwachten. Is die genezing ‘religieus’? In dubbel opzicht moet volmondig ‘ja’ worden geantwoord!
Voor de ‘religieuze’ overheden is het een aanfluiting van de ‘religieuze’ wet: de sabbat is een rustdag, dan mag je geen genezingen doen en niet met je bed rondzeulen. Plannen smeden om die subversieve kracht te liquideren, mocht blijkbaar wel.
Voor de diep-religieuze Jezus – hij is de verbondenheid zelf, tussen G-d en mens! – moet deze man die al zo lang te lijden had hoogdringend her-verbonden worden. Blijkbaar had hij niemand die hem hielp en was hij er ook erg moedeloos over geworden. Jezus her-verbindt hem met zichzelf en met zijn omgeving.
Echter niet zomaar: hij schudt hem wakker! Waarachtige ‘religieuze’ bevrijding – deze die Jezus biedt – is niet vrijblijvend! Het zal en moet effect hebben op je leven: “Wandel, zegt Jezus, en verwijder je je niet meer van G-d! Leef verbonden …”

Joh 8, 12-20 (4/04/2022)

Jezus nam opnieuw het woord en zei: “Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, wandelt nooit in duisternis, maar heeft het licht van het leven.”
De farizeeën zeiden hem: “Jij getuigt over jezelf; je getuigenis heeft geen waarde.”
Jezus antwoordde hen: “Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis waarachtig, omdat ik weet vanwaar ik kom en waar ik heenga. Jullie weten echter niet vanwaar ik kom en waar ik heenga. Jullie oordelen naar het vlees; ik oordeel niemand. En als ik toch oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, omdat ik niet alleen ben, maar samen met de Vader die mij gezonden heeft. Ook in jullie wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen waarheidswaarde heeft. Ik getuig dus over mezelf én mijn Vader die mij gezonden heeft, getuigt over mij.”
Ze zeiden nu tegen hem: “Waar is die Vader van jou dan?” Jezus antwoordde: “Jullie kennen noch mij, noch de Vader. Als je mij kenden, zou je ook de Vader kennen.”

Deze woorden sprak Jezus bij de offerkist in de tempel [waar veel en allerlei mensen konden komen], terwijl hij onderricht gaf. Niemand greep hem, want zijn uur was nog niet gekomen.

Licht is een krachtig en sprekend symbool. Licht is verbonden met de godheid, met leven, zelfs voor mensen die niets van godsdienst en bijbel moeten hebben. Zij noemen zichzelf graag ‘verlicht’. Ze gaan er prat op dat ze zich laten leiden door het licht van de rede. Zij zijn immers kinderen van de Verlichting. Verlichte mensen leven vanuit hun verstand: Wetenschap en kennis, daar draait het voor hen om.
De post-moderne mens stelt vast dat het verstand toch maar beperkt is en kennis relatief. Hun moto is: Het licht dat ben jijzelf. Zij leven vanuit zichzelf: Ik ben verantwoordelijk voor mijn eigen leven. Ik moet het zelf maken, daar draait het voor hen om.
En hoe zou de wereld eruit zien als we kiezen om te leven als ver-Licht-e mensen? Als we Jezus die zegt ‘Ik ben het Licht’ als lichtend voorbeeld zouden aannemen? Dan zou alles draaien om Liefde! Jezus als Licht niet om naar te kijken (daarvoor dient licht niet) maar om over de wereld te laten schijnen en het leven te bekijken vanuit zijn Licht en van daaruit, doen wat moet gedaan: Go(e)d Léven.

Joh.14,6-14 (3/05/2022) 

Jezus zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door mij. Als je mij zou leren kennen, zou je ook mijn Vader leren kennen. Vanaf nu ken je hem; je hebt hem gezien!”
Filippus zei: “Heer, toon ons de Vader, dat is ons genoeg!” [Ps.23,2] Jezus antwoordde hem: “Je bent nu al zo lang bij mij en je heb hem niet leren kennen, Filippus? Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Hoe kun je dan zeggen: Toon ons de Vader?! Geloof je niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij is? De woorden die ik tegen jullie spreek, spreek ik niet uit mezelf. Het is de Vader – die in mij verblijft – die zijn werken doet. Geloof mij dat ik in de Vader ben en de Vader in mij – en zo niet, geloof het dan vanwege de werken zelf.
Amen, amen, ik zeg jullie: Wie vertrouwt in mij zal de werken die ik doe, ook doen – en nog grotere dan deze, omdat ik naar mijn Vader ga. Wat je ook zult vragen in mijn naam, ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zou worden. Als je dus iets vraagt in mijn naam, ik, ik zal het doen!

Wie of wat G-d is, is niet op één twee drie uitgeklaard. Het is niet vast te leggen in een of andere definitie die je dan maar van buiten te leren hebt. Neen, G-d wordt pas zichtbaar, hij wordt pas ervaarbaar, als we G-d-gericht (in het spoor van Jezus) leven. Het vraagt dus tijd. Het is als het ware een levenslang groeiproces.
En Jezus, hij wil ons graag mee-nemen: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven!” Het klinkt misschien als een slogan omdat het in onze taal ingebakken zit hier drie ‘begrippen’ te horen (dé weg, dé waarheid, hét leven), maar in de Bijbelse taal zijn het woorden die beweging en dynamiek uitdrukken. Op het spoor komen van G-d, is een weg die te gaan is en waartoe Jezus ons uitnodigt. ‘Ik’ ben de weg. Mijn leven, mijn manier van leven, mijn liefde, mijn woorden, zij vormen de weg naar G-d, naar ‘waarheid’ (waarachtig leven) en naar ‘kennis’ over het leven!
Aan ons om te vertrekken, stap voor stap de weg te gaan, in het vertrouwen dat hij ons ‘gaande-weg’ G-d zal leren kennen!

 

Joh.10,22-30 (10/05/2022)

Toen was er in Jeruzalem het Vernieuwingsfeest. Het was winter. [Gr.: egkania < Hebr.: chanoeka, ook Lichtfeest genoemd, feest van de (her)inwijding van de tempel in 164 v.Chr., 8 dagen gevierd beginnend op 25ste Kislev = december] Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden omringden hem en vroegen: “Hoe lang hou je ons leven nog in spanning? Als jij de Gezalfde [Christos/Messiah] bent, zeg het ons dan vrijmoedig.”
Jezus antwoordde hun: “Ik heb het jullie gezegd, maar je gelooft het niet. De werken die ik doe in de naam van mijn Vader, die getuigen voor mij. Maar je gelooft het niet omdat jullie niet van mijn schapen zijn: mijn schapen geven gehoor aan mijn stem. Ik ken ze en zij volgen mij. En ik geef ze volheid van leven, in der eeuwigheid gaan ze niet verloren, en niemand zal ze uit mijn hand roven.
Wat de Vader mij gegeven heeft, is groter dan alles, en niemand is bij machte te roven uit de hand van mijn Vader. En ik en de Vader zijn één.”

Hoeveel krediet krijgt Jezus van mij? Wat moet hij nog allemaal zeggen en doen eer ik hem wil geloven? Ik verwacht wél dat hij míj ruimschoots krediet geeft! Ik verwacht dat hij mij van voedsel voorziet; ik verwacht dat hij mij zoekt als ik verloren loop; ik verwacht dat hij mij teder opneemt als ik zelf uit de kudde wegloop; ik verwacht dat hij mijn blatende stem hoort; ik verwacht dat hij mij groene weidegrond geeft; …
Wat geef ik hem ervoor als antwoord? Aanhankelijkheid of koppigheid? Mijn wederliefde of eigenzinnigheid? Vertrouwen of eigengereidheid?
Wat voor bevrijding – ont-spanning – is het als ik éindelijk mij helemaal aan zijn weg durf toe te vertrouwen! Nee, waar dat ergens uitkomt, weet ik niet. Dat moet ik aan hem overlaten, dat krediet moet ik hem geven (het krediet van de controle over mijn eigen leven). Maar het zal een volheid van leven zijn – in de hand van de Vader – die ik mezelf niet eens kan voorstellen!