Verbonden Léven

Mt.1,(1-16).18-23 (08/09/2021) – Feest van de Geboorte van Maria

De geboorte van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah] verliep zo:
Zijn moeder, Maria, was verloofd met Jozef. Voor zij echter gingen samen leven, werd zij zwanger bevonden uit heilige geest. Haar man Jozef, die integer was, wilde haar niet openlijk te schande maken en dacht erover haar in het geheim weg te sturen.
Kijk! Terwijl hij deze dingen overdacht, verscheen een boodschapper [engel] van de Heer in een droom aan hem: “Jozef, zoon van David, wees niet bang Maria, je vrouw, bij jou te nemen, want wat in haar is verwekt is uit heilige geest. Ze zal een zoon baren en je moet hem de naam Jezus [de Heer is redding] geven, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.”
Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat vanwege de Heer door de profeet is gezegd: Zie, de jonge vrouw zal zwanger worden en een zoon baren en ze zullen hem noemen: Immanuël [Jes.7,14], wat betekent: God met ons.

Verjaardagsfeestje vandaag! Maar hoe Maria’s geboorte vieren als daar natuurlijk niets over vermeld is in de Evangelies? Of zou er meer in staan dan we denken?
Het voorziene Evangelie verhaalt over heel menselijke gebeurtenissen: twee jonge mensen die gaan trouwen (met de vreugde en de aarzelingen die dat meebrengt) en over zwanger zijn en een kindje geboren laten worden.
Tegelijk verhaalt het over iets G-ddelijks dat daar tussendoor loopt, merkbaar aan z’n gevolgen, maar niet altijd makkelijk aanwijsbaar: alles gebeurt blijkbaar ‘in G-ds goede Geest’.
Maria laat zich meenemen door beide. Ze schakelt zich in in het grote menselijke gebeuren van het leven – en wordt zo levengevend. Ze schakelt zich in in het G-ddelijk gebeuren en zo wordt dat gegeven leven vruchtbaar voor tallozen.
Misschien worden wij pas écht ‘geboren’ als wij het leven – G-ds leven – laten ‘gebeuren’ in ons, als wij ons laten inschakelen in het grote verhaal van G-d met zijn mensen, als wij het leven dat wij elke dag ontvangen ook elke dag doorgeven en vruchtbaar laten zijn voor velen?!

Mt.9,9-13 (21/09/2021) 

Jezus ging van daar verder en zag een zekere Matteüs bij het tolhuis zitten. “Volg mij,” zei hij tegen hem, en hij stond op en volgde Jezus. Jezus ging in op zijn uitnodiging voor een afscheidsmaal.
En kijk: Veel tollenaars en zondaars kwamen ook en lagen mee aan tafel met Jezus en zijn leerlingen. Toen de Farizeeën dit zagen, insinueerden ze tegen zijn leerlingen: “Waarom eet die meester van jullie met tollenaars en zondaars?”
Maar Jezus had dit gehoord en antwoordde: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ga, en onderzoek wat dit wil zeggen. Mededogen wens ik, geen holle offers. Niet om de rechtvaardigen te roepen, ben ik gekomen, maar de zondaars.”

Dit is wellicht wel het kortste roepingsverhaal uit de Bijbel! Het staat er allemaal in één zin. Nochtans was er niets vanzelfsprekends aan, integendeel!
Waar de Farizeeën hier alweer over morren, zou net zo goed uit ónze mond kunnen komen.
Wat zouden wij zeggen als we Jezus zien optrekken met collaborateurs en afpersers – meer nog, dat hij er zo-een uitkiest om zijn dichte leerling te zijn?
En toch is het dat wat hier gebeurt. Eerst heeft Jezus een paar vissers tot zijn kring geroepen. Niet bepaald de meest hoog aangeschreven mensen,
maar dan toch een eerbaar beroep. Nu roept hij iemand die alom veracht wordt en zélfs ‘wettelijk onrein’ is wegens zijn contacten met heidenen.
Maar Jezus gaat het nooit om slaafse navolging van regels. Voor Jezus gaat het om het hart, het mededogen.
Wie hem volgt als hij roept, is welkom,
welkom in het clubje ‘tollenaars en zondaars’, welkom bij de ‘rafelrandmensen’, welkom bij wie in het hart beseffen redding nódig te hebben.

 

 

Mt.14,13-21 (02/08/2021)

Toen Jezus dit hoorde [het bericht van de dood van Johannes], trok hij zich in een boot van daar terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de menigte dit hoorde, volgden ze hem te voet vanuit hun steden. Toen Jezus uitstapte, zag hij dan ook een grote menigte. Hij werd ten diepste bewogen om hen en hij genas de zieken onder hen.
Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden: “Dit is een eenzame plaats en het [etens]uur is al voorbij. Stuur de menigte weg zodat ze in de dorpen rondom voedsel voor zichzelf kunnen gaan kopen. Maar Jezus zei hen: “Het is niet nodig dat zij weggaan; geven jullie hen maar te eten.” “Maar, antwoordden zij, wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen!” Hij zei: “Breng ze mij.” En hij liet de mensen zich neervlijen op het gras.
Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek op naar de hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze aan zijn leerlingen en de leerlingen aan de menigte.
Allen aten tot ze voldoende gevoed waren. En van de overgebleven stukken verzamelden ze twaalf korven. Het waren ongeveer vijfduizend mannen die gegeten hadden, vrouwen en kinderen niet meegeteld.

De broodvermenigvuldiging. Weeral eens. (Kan ik er wat aan doen dat elk van de vier evangelisten dit gebeuren beschrijft; Johannes zelfs twee keer!? Het kan ons alleen maar doen concluderen dat het een belangrijk gebeuren is, als we Jezus’ leven en boodschap willen begrijpen.)
In deze versie van Matteüs valt mij het detail op “het [etens]uur is al voorbij”. Over en out dus; het is hopeloos. (Net zoals uiteraard ook de “vijf broden en twee vissen” voor 5000 mannen plus een veelvoud aan vrouwen en kinderen.)
Niet zo dus als Jezus in de buurt is!
Geen situatie is zó ver gezet, dat ze voor Jezus hopeloos zou zijn. – Als dát geen hoopvolle boodschap is!
Wanneer stijgt de ‘honger’ jou ten top en denk je met het weinige dat je hebt er helemaal niet te komen? Al eens aan gedacht om dat weinige – schamele zeg maar – aan Jezus aan te bieden en er hém zijn gang mee te laten gaan?

Mt.15,1-2.10-14 (03/08/2021)

Vanuit Jeruzalem kwamen nu schriftgeleerden en farizeeën naar Jezus en vroegen: “Waarom overtreden jouw leerlingen de traditie van de oudsten? [presbyteroi] Zij wassen immers niet hun handen wanneer zij het brood eten.”
Hij riep nu de menigte bij zich en zei hen: “Luister, en kom tot begrip. Niet wat binnengaat in de mond ontwijdt de mens, [maakt hem ‘ordinair’] maar wat uit zijn mond naar buiten komt, ontwijdt de mens.”
Toen zijn leerlingen bij hem kwamen, zeiden ze hem: “Weet je dat de farizeeën die je woorden hoorden er aanstoot aan namen?” [zich geschandaliseerd voelden] Hij antwoordde hierop: “Elke plant die niet geplant werd door mijn hemelse Vader, zal uitgerukt worden. Laat hen dus! Het zijn blinden die de weg wijzen aan blinden. Als nu de ene blinde de weg wijst aan de andere, zullen beide in een kuil vallen.”

Wat is ‘rein’? Wat is ‘onrein’? Wij gebruiken die termen niet meer zo, en denken dan misschien ten onrechte dat dit een kwestie is die alleen een dispuut is uit de tijd van Jezus.
Bij de vraag: Wat ontwijdt de mens?, komen we misschien al een beetje dichterbij. Nog duidelijker wordt het als je nog letterlijker vertaalt: Wat maakt hem ‘gewoon’ (maar dan in de heel negatieve betekenis: plat, gemeen, ‘ordinair’). Of – in de termen zoals wij ze hier in deze commentaren meer dan eens tegenkomen: Wat richt mij ‘op de aarde/het aardse’, of wat richt mij op G-d?
En dan wordt het duidelijk dat wat ik eet, daar niet toe doet! Wat ik spreek daarentegen …
En ook hoe ik mijn oog helder hou. Want hoe kan ik anders met mensen op weg richting G-d als ik zelf (ver)blind geraakt ben …?

 

Mt.15,21-28 (04/08/2021)

Jezus ging van daar weg en trok zich terug naar de [‘heidense’] streek van Tyrus en Sidon.
Kijk! Een Kananeese [dus ‘heidense’] vrouw uit dat gebied kwam naar hem toe en schreeuwde: “Heb medelijden met mij, Heer, zoon van David! Mijn dochter is in de macht van iets kwaads.” Hij echter antwoordde haar geen woord.
Zijn leerlingen die bij hem waren, zeiden: “Stuur haar weg, want ze schreeuwt achter ons aan.” Hij antwoordde echter: “Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.”
Zij viel echter voor hem neer en smeekte: “Heer, help mij!” Maar hij antwoordde: “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en dat naar de hondjes [= de heidenen] te werpen.” Zij echter weerlegde: “Toch wel, Heer, want ook de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.” Toen antwoordde Jezus haar: “O vrouw, groot is je vertrouwen! Het moet gebeuren zoals je bedoelt.” En vanaf dat uur was haar dochter geheeld.

Zou ik durven wat die ‘heidense vrouw’ hier doet?
Het begint al met het feit dat zij in die buitenlander (want dat was Jezus voor haar – meer nog: een die haar volk verdreven had van hun grond! (de Israëlieten vielen immers Kanaän binnen)) toch het goede kan zien.
En dan moet je durven vragen! (Wie doet dat makkelijk?)
En opnieuw durven vragen, ook nadat je geen antwoord kreeg!
En nog weerwerk durven geven als je op je kop kreeg dat je eigenlijk niets moet vragen!
Hou ik het zo lang uit met G-d? Zou mijn vertrouwen zo groot zijn?
Het is wel duidelijk dat de grote liefde voor haar dochter haar drijft. Ze is radeloos, ten einde haar ‘eigen-macht’ – het lijkt wel of ze het ‘in de macht zijn van’ van haar dochter met zích meedraagt.
Is het niet dit soort liefde, die Jezus later aan het kruis ook zal meedragen? En zou het niet díe liefde zijn, die hij herkent bij die vrouw – als ze er maar stevig genoeg vanuit durft te leven én te vragen?!

Mt.16,13-23 (05/08/2021)

Nu kwam Jezus in de streek van Caesarea Filippi [noord-Israël]. Hij vroeg aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is?” Ze antwoordden: “Sommigen zeggen Johannes de doper, anderen Elia, en nog anderen Jeremia of één van de profeten.
Nu zei hij tegen hen: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?” Simon Petrus antwoordde: “Jij bent de Gezalfde [Christos/Messiah], de zoon van de levende God!” Jezus zei nu tegen hem: “Gezegend [vooruit ermee!] ben jij, Simon Barjona [zoon van Jona], want niet vlees en bloed hebben dit geopenbaard aan jou, maar mijn Vader in de hemelen. En ik zeg jou dat jij een rots [petros] bent, en op deze rots zal ik mijn gemeenschap bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet te sterk zijn. En ik zal je de sleutels geven van het koningschap der hemelen. Wat je zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat je zult vrij maken op de aarde, zal vrij gemaakt zijn in de hemelen.”
Daarop verbood hij zijn leerlingen aan iemand te zeggen dat hij de Gezalfde was.
Vanaf toen begon Jezus zijn leerlingen aan te wijzen dat het moest dat hij naar Jeruzalem trok, dat hij veel te lijden zou hebben van de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, dat hij gedood zou worden en dat hij op de derde dag zou opstaan.
Petrus nam hem terzijde en sprak hem fel toe: “Goeiegenade! Nooit mag jou zoiets overkomen, Heer!” Maar Jezus keerde zich af en zei tegen Petrus: “Ga weg! Achter mij, tegenstrever [satan]! Je bent mij een ergernis/struikelblok, omdat je niet denkt vanuit God, maar vanuit de mens.”

Heel wat mensen komen er wel toe Jezus een profeet – of zoiets – te noemen. Wat de leerlingen zelf denken, komen we hier niet te weten. Eerst antwoorden ze op Jezus’ vraag wat ‘de mensen’ denken, en vervolgens krijgen ze geen kans om iets te zeggen, omdat Petrus hen (weeral eens?) te vlug af is.
In elk geval: Naast de velen die hem profeet noemen, is er maar één die hem ‘zoon van de levende God’ noemt! Dat is op zich al bedenkelijk! Onder die ‘vele mensen’ zijn toch immers ook veel volgelingen van Jezus, die hem graag en veel aanhoorden? Blijkbaar geraak je niet zomaar vanzelf een stap verder in dat Christus-geheim.
En niemand – niemand – komt ermee dat de mensenzoon tegenkanting zal kennen, zódanig dat ze hem zullen vermoorden. Niemand komt ermee dat de mensenzoon iemand is die het lijden van anderen op zich zal nemen, vrij en (daardoor) bevrijdend.
Hoe ‘ondenkbaar’ wordt dan zijn verrijzenis?!
En toch …
Het Christus-geheim kan maar gaande-weg ont-dekt worden … Ga je mee?