Verbonden Léven

Mc.7,24-30 (11/2/2021)

Jezus vertrok van daar [Galilea] en ging naar het [niet-Joodse] grensgebied van Tyrus en Sidon.
Hij trok er in een huis en wilde niet dat iemand het wist. Maar hij kon moeilijk verborgen blijven.
Een vrouw van wie het dochtertje last had van een nog niet gereinigde geest, kwam naar hem toe en viel aan zijn voeten neer.
Die vrouw was een Helleense van Syro-Fenicische afkomst [dus niet-Joods, ‘heidens’]. Zij vroeg hem de demon uit haar dochter te verdrijven.
Maar Jezus zei haar: “Laat eerst de kinderen [= de Joden] verzadigd worden!
Want het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en dat naar de hondjes [= heidenen] te werpen.”
Maar zij antwoordde hem: “Toch wel, Heer, want ook de hondjes eten onder de tafel van de kruimels van de kindjes!”
Nu zei Jezus haar: “Omwille van deze woorden: ga heen; de demon is uit je dochter weggegaan.”
De vrouw ging naar huis en vond het kind in haar bed; de demon was weggegaan.

Als je leeft zoals Jezus kan je niet onopgemerkt blijven. Mensen zien je. Ze voelen dat je om hen geeft, op hen betrokken bent.
Maar was Jezus wel betrokken op íedereen? Wat met deze vastberaden, niet-Joodse vrouw? Zij wordt op haar plaats gezet omwille van haar niet-Jood zijn.
Maar zij vertrouwt en laat zich niet aan de kant schuiven. Met haar doortastende aanpak slaagt ze erin om Jezus’ denkkaders open te breken.
Het gaat toch niet op, dat bevrijding alleen voor joodse kinderen zou zijn (alleen voor Belgen, christenen, ...).
Dus dringt ze aan en zo wordt het ook voor Jezus helder: Bevrijding kan alleen maar échte bevrijding zijn als het niet uit-sluitend werkt,
als het iedereen – ook zij die onderdrukt of uitgebuit worden – vrij maakt. ‘Bevrijding is een project voor iedereen, met iedereen!’
Dus laat je openbreken (misschien kan je ook hier en daar anderen openbreken).
Waag de stap uit je vertrouwde denkkaders en richt je, open en ontvankelijk, naar (het vreemde in) de ander.
Ontmoet elkaar (over culturele, politieke, etnische grenzen heen).
Betrek je op de ander.
Dat maakt elkaar vrij!

Mc.7,31-37 (12/2/2021)

Jezus ging weer weg van het gebied van Tyrus en Sidon en kwam bij het meer van Galilea,
in het gebied van Dekapolis [dus aan de oostzijde van het meer, ook Helleens/’heidens’ gebied].
Men bracht hem een dove, die ook moeilijk sprak, en ze smeekten hem de handen op te leggen.
Jezus nam hem uit de menigte apart, stak zijn vingers in zijn oren, spuwde en nam zijn tong vast.
Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: “Effata!” – wat betekent: word geopend.
Onmiddellijk openden zich zijn oren en werd de band van zijn tong los en kon hij gewoon spreken.
Jezus gebood hun het aan niemand te zeggen, maar hoe meer hij het verbood, hoe meer zij het verkondigden.
Ze waren uitermate versteld en zeiden: “Alles doet hij goed! Doven doet hij horen en sprakelozen spreken.”

Men brengt een man bij Jezus. Een man die niet hoort en moeilijk spreekt, met een gestoorde communicatie tot gevolg.
Daar zit een medische kant aan (doofheid) maar hier is ook sprake van een storing in het intermenselijke verkeer.
De man kan (mag?) niet voor zichzelf spreken. Alles wordt door derde voor hem geregeld.
De mensen om hem heen denken heel goed te weten wat hij nodig heeft (met de beste bedoelingen!).
Maar Jezus neemt hem weg uit die menigte, weg van onder de goedbedoelde, verstikkende laag van liefdadigheid, die de eigen stem smoort.
“Ga open, Effata!” zegt hij tégen hem. Hij spreekt hem aan. “Breek uit de stereotypen waarin mensen jou, elkaar en zichzelf gevangen houden”.
Is dat niet wat we allen verlangen? Dat er Een is die je aanspreekt, die je kent. Een die je aanspreekt in je kwetsbaarheid, in je eigenheid en niet op je gebrek.
Dat is het wonder dat Jezus hier doet – en steeds opnieuw doet – nl. zeggen, als een belofte: “Ga, open”

Mc.8,1-10 (13/2/2021)

In die dagen was er weer een grote menigte bij hem en zij hadden niets te eten.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: “Die mensen beroeren mij tot in mijn binnenste,
want ze zijn al drie dagen bij mij en hebben niets te eten. Als ik hen zonder eten naar huis stuur,
zullen ze ondereg bezwijken, want sommigen zijn van ver gekomen.”
Zijn leerlingen antwoordden hem: “Vanwaar kan iemand in dit afgelegen gebied brood halen om al die mensen voldoende te voeden?”
Hij vroeg hen: “Hoeveel broden heb je?” Ze zeiden: “Zeven.”
Hij gebood de mensen op de grond te gaan zitten.
Hij nam de zeven broden en na gedankt te hebben [euchartistein], brak hij ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze voor te zetten aan de menigte.
Ze hadden ook enkele visjes. Hij zegende die en zei ze ook voor te zetten.
Ze aten en werden volop gevoed. En toen ze de overblijvende stukken ophaalden, waren er zeven manden. Er waren ongeveer vierduizend mensen.
Toen stuurde hij hen weg.
Onmiddellijk stapte hij in een boot, samen met zijn leerlingen, en ze kwamen in de streek van Dalmanuta.

Een wonderlijk verhaal, dit broodverhaal. Net als alle wonderverhalen vertrekt het vanuit een schaarste, een nood,
die door Jezus gezien wordt en die hem tot diep van binnen beroert. De betrokkenheid op de mensen zet hem in beweging.
Hij dankt, breekt en doet delen. Zo raakt hij het hart van de mensen. En dat zet mensen in beweging.
Een wonderlijk verhaal en toch herkenbaar. Denk maar aan een vergadering of een viering die gevolgd wordt door een maaltijd.
Je zal het onmiddellijk her-inneren, de rijkdom van zo’n ongedwongen broodjeslunch. Het is dé plaats waar levenservaringen uitgewisseld worden en relaties groeien.
Daar aan tafel, al sprekend en delend, komt men elkaars drijfveren en levensinspiratie op het spoor. Daar raakt men intenser op elkaar betrokken.
Ik weet niet of deze gedeelde maaltijd na Jezus’ optreden een analoog proces op gang bracht, maar de zeven manden overschot geven alvast de indruk
dat er veel gebabbeld werd en dat er onderling meer dan alleen maar brood gedeeld werd.

Mc.8,11-13 (15/2/2021)

De farizeeën gingen naar Jezus toe en ze begonnen met hem te twisten, door van hem een teken uit de hemel te verwachten en hem zo op de proef te stellen.
Uit het diepst van zijn wezen slaakte Jezus een zucht, en zei: “Waarom verwachten jullie toch een teken? ik verzeker jullie: dat zal niet gebeuren!”
Hij liet hem achter, stapte weer in de boot en ging weg naar de overkant.

Telkens als er in het evangelie staat: “Zij wilden hem op de proef stellen”, weten we dat Jezus het spelletje van de farizeeën niet zal meespelen.
Ook hier geeft hij niet wat ze vragen: een teken geven … dat zal niet gebeuren!
Het lukte de vragers naar een teken duidelijk niet om te zien wat Huub Oosterhuis verwoordt:
Geen ander teken ons gegeven, geen licht in onze duisternis dan deze mens om mee te leven, een G-d die onze broeder is (lied: Komt ons in diepe nacht ter ore).
Zij zagen het niet. Nochtans liep hij gewoon rond tussen hen. Maar ja, Jezus loopt nu eenmaal niet te pronken met wie hij wezenlijk is.
Als je echter vrij en open in het leven staat, als je bereid bent om van binnen uit te zien, dan kan je niet anders dan dit te zien.
Heel zijn leven (woord en daad) schreeuwt het uit.
En toch …
Zij waren er bij toen. Ze hebben van de wonderen gehoord en hebben ze zelfs gezien en meegemaakt.
En toch zien ze niet.
En wij? Wat zien en geloven wij? Want ook wij mogen mee-maken dat G-d geleefd wordt door zovelen.
Ook wij mogen meemaken wat zij meemaakten: samen leven met mensen wiens leven het goddelijke uitschreeuwt.
De vraag is van alle tijden: Zien wij de tekenen … vandaag?

Mc.8,14-21 (16/2/2021)

Nu hadden ze vergeten brood mee te nemen waardoor ze maar één brood bij zich hadden in de boot.
Jezus drukte hen op het hart: “Zie toe, pas op voor het zuurdesem van de farizeeën en het zuurdesem van Herodes!”
Zij bleven onder elkaar overleggen dat ze geen broden hadden.
Toen Jezus dat merkte, zei hij tegen hen: “Waarom blijven jullie zeggen dat je geen broden hebt?
Besef en begrijp je het nu nog niet? Is jullie hart nog zo verhard? Jullie hebben ogen, en je ziet niet?
Jullie hebben oren, en je hoort niet? Herinneren jullie je niet dat ik de vijf broden heb gebroken voor vijfduizend mensen?
Hoeveel korven vol resten heb je toen verzameld?” Ze zeiden: “Twaalf.” [Mc.6,41-44]
“En toen ik de zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden met resten heb je toen verzameld?” Ze zeiden: “Zeven.” [Mc.8,5-9]
Hij zei hen: “En je begrijpt het nóg niet …?”

Ze zien het niet, de leerlingen. Ze blijven haken aan dat ene brood, aan dat wat ze (niet) hebben.
Geen wonder dat Jezus opnieuw gaat zuchten bij al dat niet-zien van zijn leerlingen. Het gaat niet over dat ene brood.
Het is het desem dat van tel is, die innerlijke drive die leven geeft in overvloed, omdat ze op G-d richt.
En ze hadden het kunnen weten hoe die ervaring(en) van overvloed leven-gevend zijn.
Jezus waarschuwt hen voor een niet-overeenstemming: Kijk kritisch naar je binnenkant (het desem) en zie of die overeenstemt met de uiterlijke vorm van je leven.
Daarover gaat het! Over de overeenstemming tussen die twee, tussen binnen en buiten, en over de bekommernis, om datgene waardoor deze overeenstemming verbroken kan worden.
En hij geeft een toetssteen mee: Kijk naar wat overblijft als je deelt wat je hebt. !
Waar gedeeld wordt vanuit overeenstemming, die ons altijd op de a/Ander richt, zal overvloed zijn;
waar geleefd wordt vanuit niet-overeenstemming, die ons altijd op onszelf richt, zal tekort zijn.

 

Mc.9,2-10 (28/2/2021) 

Zes dagen later [na de eerste lijdensvoorspelling] nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee
naar een hoge berg, geheel alleen. Daar werd hij voor hun ogen van gedaante veranderd.
Zijn kleren werden glanzend, hel wit, zoals geen wolbewerker op aarde ze wit kan maken.
lia en Mozes verschenen aan hen; zij waren in gesprek met Jezus.
Petrus reageerde tegen Jezus: “Meester, het is goed dat wij hier zijn.
Laten we drie tenten maken, één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia.”
Want hij wist niet wat te zeggen; ze waren immers van vrees bevangen.
Nu overschaduwde hen een wolk en een stem uit de wolk zei: “Dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem.”
Plots rondkijkend, zagen zij niemand meer bij zich dan alleen Jezus.
Toen zij van de berg afdaalden, gebood hij hun aan niemand te vertellen wat ze gezien hadden
dan wanneer de mensenzoon zou zijn opgestaan uit de doden.
Ze bewaarden deze woorden bij zichzelf, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat dat ‘opstaan uit de doden’ betekende.

 Zien, soms even.
Dat is wat het verhaal belooft: dat we het zien, die andere, diepere werkelijkheid en dat we er iets van ontwaren.
Samen met de drie discipelen wordt ons een blik op de hemelse heerlijkheid gegund. Daar is veel te ontdekken, als je er gevoelig voor bent.
En als je het ziet dan herken je ook het verlangen van Petrus. Het verlangen om die momenten van inzicht, die piekmomenten, vast te houden.
Maar er staat nadrukkelijk dat ze de berg afdaalden. Dat ze opnieuw het gewone, alledaagse leven tegemoet gaan.
Want daar wordt het (gelovig)leven geleefd. Niet op de berg, niet met het hoofd in de wolken,
maar gewoon, tussen de mensen, met de voeten op de grond. Maar als je even die hemelse glimp hebt opgevangen,
dan is dat laag-bij-de-grondse nooit meer hetzelfde. Dan krijgt alles van het gewone leven een bijzondere glans.
Dan weet je, diep van binnen, dat wij niet voor de grijsheid en de grauwheid zijn bestemd, maar voor het licht, het go(e)de.
Dit verlangen en hiermee concreet aan de slag gaan houdt een mens op de been.