Verbonden Léven

Mc.6,30-34 (6/2/2021)

De uitgezondenen [aposteloi] verzamelden zich weer bij Jezus en gaven hem verslag over alles wat ze gedaan en onderwezen hadden.
Hij zei tegen hen: “Komen jullie nu zelf eens mee naar een eenzame plaats om een beetje uit te rusten.”
Want er waren er zovelen die kwamen en gingen dat ze zelfs geen gelegenheid hadden om te eten.
Ze vertrokken met de boot naar een eenzame plaats, alleen. Velen zagen hen vertrekken en ze begrepen wat er gaande was.
Vanuit de steden renden ze te voet erheen en waren er nog vóór hen. Toen Jezus uitstapte zag hij dan ook een grote menigte.
Hij werd ten diepste bewogen om hen, want ze waren als schapen zonder herder. En hij begon hen over vele dingen te onderrichten.

Het is een voortdurende spagaat waarin Jezus en zijn leerlingen staan – en voor ons wellicht even herkenbaar:
de nood en het verlangen naar stilte en rust enerzijds, en anderzijds de overvloed aan dringend beroep dat op hem gedaan wordt.
In de Evangelies komt dit voortdurend terug, zónder dat het tot een keuze of ‘oplossing’ komt.
Misschien spreken we dan ook beter niet van een onheilzame spagaat, maar van een vruchtbaar spanningsveld?!
En dat is nóg wat anders dan het vinden van ‘de juiste balans’. Bij dit laatste worden de elementen tégen elkaar afgewogen
en meer van het één betekent minder van het ander. Bij een ‘vruchtbaar spanningsveld’ probeer je beide polen
zo verregaand mogelijk te bewandelen om daarin vast te stellen dat ze elkaar versterken i.p.v. tegenspreken.
Hoe doe je dat? Door je “ten diepste te laten bewegen”. Letterlijk staat er: “tot in je ingewanden in beweging komen”!
Aan dat ‘gebroebel in je buik’ kun je het voelen: Mijn verlangen naar stilte/G-d en mijn verlangen in te gaan op mijn medemens,
zijn geen twee verschillende dingen, maar de éne beweging van leven ontvangen en leven (door)geven!

Mc.6,34-44 (5/1/2021)

In die tijd zag Jezus een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder;
en hij begon hen uitvoerig te onderrichten. Toen het al laat was geworden kwamen zijn leerlingen naar hem toe
en zeiden: 'Deze plek is eenzaam en het is al laat. Stuur hen weg om naar de hoeven en dorpen in de omtrek te gaan
en daar eten te kopen.' Maar hij gaf hun ten antwoord: 'Geeft gij hun maar te eten.'
Zij zeiden hem daarop: 'Moeten wij dan voor tweehonderd denariën brood gaan kopen om hun te eten te geven?'
Hij zei tot hen: 'Hoeveel broden hebt ge? Gaat eens kijken.' Na zich op de hoogte gesteld te hebben zeiden ze:
'Vijf, en twee vissen.' Nu gaf hij hun opdracht te zeggen dat allen zich groepsgewijze zouden neerzetten op het groene gras.
Zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig. Hij nam de vijf broden en de twee vissen,
sloeg de ogen ten hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de mensen voor te zetten;
ook de twee vissen verdeelde hij onder allen. Allen aten tot zij verzadigd waren.
Men haalde aan brokken en aan wat er aan vis over was twaalf volle korven op.
Het waren vijfduizend mannen die van de broden gegeten hadden.

Gisteren lazen we over het Rijk der Hemelen, welke sfeer daar heerst. Vandaag een verhaal over vijf broden en twee vissen
en wel vijfduizend hongerige magen die gevuld moeten worden. Een verhaal dat naar mijn aanvoelen iets vertelt
over de economie die in dat hemelse rijk van toepassing is.
Deze Bijbelse economie is geen kwestie van altijd meer, groei en winst, maar wel van delen.
Het is een kwestie van verzamelen wat je hebt (schamel enkele broden en wat visjes)
dit samen leggen en dan het samen-leven zo inrichten dat je net zo lang deelt tot ieder genoeg heeft.
Het is een economie die voortkomt uit de bekommernis voor de ander, de betrokkenheid op elkaar en weet hebben van dat wat de ander nodig heeft.
Het grondmodel voor zo’n samen-leving leren we telkens weer bij Jezus (in de Eucharistie).
Hij leeft het – dat Visioen – en zo hebben wij weet van het feit dat waar gedeeld wordt, het leven vermenigvuldigd wordt.
En dan gaan er wonderen gebeuren zodat wat niet kan (in onze menselijke hoofden) toch zal gebeuren.

Mc. 6,45-52 (6/1/2021)

Onmiddellijk [na de broodbreking voor vijfduizend mensen] dwong hij zijn leerlingen in de boot te stappen
en hem vooruit te gaan naar de overkant, naar Betsaïda, terwijl hijzelf het volk zou wegsturen.
Hij nam afscheid van hen en vertrok naar de berg om te bidden.
Toen de avond viel was de boot in het midden van het meer en hij, alleen, aan land.
En hij zag hen zich afbeulen met roeien, want er stond tegenwind. Naar het einde van de nacht toe kwam hij naar hen toe,
wandelend over het meer, en hij wilde hen voorbijgaan [zoals bij Mozes (Ex.33,19.22;34,6) en Elia (1Kon.19,11)].
Maar toen zij hem zagen wandelen op het meer, dachten ze dat het een spookverschijning was en ze schreeuwden het uit,
want ze zagen hem allen en raakten in paniek. Onmiddellijk zei hij tegen hen: “Hou moed! Ik ben het; wees niet bang!”
Hij stapte bij hen in de boot en de wind bedaarde.
Zij waren totaal uit hun lood en verbijsterd want bij het brood-gebeuren waren ze nog niet tot inzicht gekomen, hun hart was verhard.

‘Zien’ (of niet zien) – ‘that’s the question’ …
Hoe komt het dat Jezus de leerlingen ziet, maar zij hem niet? Trouwens, hoe kan Jezus die leerlingen zien op zo’n grote afstand,
en dat terwijl het stormt én … het nacht is!?
Het gaat dus duidelijk niet over dat soort ‘zien’. Eerder over een soort ‘zien in de nacht’ …
We lezen het vele keren bij Jezus: Hij heeft een zware dag gehad waarin mensen hem (móchten) opeisen; en daarna gaat hij … niet slapen, maar bidden!
En dáár, midden dat nachtelijke gebed, wordt zijn oog helder.
De leerlingen daarentegen beulen zich af. Niet dat ze daar overigens konden aan doen; de wind zit nu eenmaal soms eens tegen.
In hun nacht zien ze niets – of juister: Er was eigenlijk wél een ‘glimp van G-d’ te zien – iedereen zag het! – maar ze ‘zagen’ het als een spookgedachte!
Als we nu – eindelijk! – eens Jezus zouden volgen, en na onze (dag)taak ‘de berg opgaan om te bidden’,
zou ons hart dan niet soepeler worden, ons oog helderder? Zouden onze stormen dan niet bedaren omdat we ‘zien in de nacht’ dat wij een glimp van G-d ontvangen?

Mc.6,53-56 (8/2/2021)

Ze staken over naar het gebied van Gennesaret en legden aan. Toen ze uit de boot kwamen, herkende men hem onmiddellijk.
Ze liepen druk de hele omgeving af en brachten van overal de zieken op bedden naar waar ze hoorden dat Jezus was.
Overal waar hij ook kwam, in steden, dorpen of gehuchten, legde men de zieken op de marktplaats.
Zij smeekten hem dat ze alleen al maar de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En al wie hem aanraakte, werd genezen.

En het blijft maar duren … Jezus moet maar ergens zijn aangezicht vertonen of ze zijn daar al, al die noodlijdenden.
Maar dat ís ook zo – ook vandaag! Wie in de wereld staat met een hart gericht op G-d én mensen (niet in spagaat, maar in vruchtbare spanning, zie 6 feb.),
en ogen die ópen zijn, die zál veel – heel veel – nood zien! Wellicht is het zelfs de angst voor die veelheid die ons te vaak ervoor doet kiezen
met gesloten ogen en gesloten hart in het leven te staan. Nochtans, waar wij de weg gaan van de ‘vruchtbare spanning’,
en dus de pool van de zorg voor anderen én de pool van het ons voeden aan de Bron béide beleven, zal die angst misschien nog wel wat voelbaar zijn,
maar geen rol meer spelen, omdat we dan weten dat we niet (nooit) leven op eigen kracht, maar uit kracht van G-d.
Daarvoor mogen wij hem wel niet ontwijken (en ook de medemens met zijn/haar nood niet ontwijken), niet uit de weg gaan, niet op een afstand blijven,
niet op 1,5 meter, maar er werkelijk naar toe gaan, heel dichtbij, ertegenaan – want aanraking is helend!

 

Mc.7,1-13 (9/2/2021)

Nu verzamelden zich de farizeeën en enkele schriftgeleerden, die uit Jeruzalem gekomen waren, bij Jezus.
Zij merkten op dat sommige van zijn leerlingen met onreine – dat wil zeggen: ongewassen – handen het brood aten.
(De farizeeën en alle Joden eten immers nooit zonder eerst de handen te wassen – vasthoudend aan de traditie van de oudsten.
Als ze bijvoorbeeld terugkomen van de markt, zullen ze niet eten zonder zich eerste te besprenkelen.
Zo zijn er nog vele andere gewoontes waar ze aan vasthouden, zoals de onderdompeling van drinkbekers, kannen en koperen vaten.)
Nu vroegen de farizeeën en schriftgeleerden hem: “Waarom handelen jouw leerlingen niet naar de traditie van de oudsten, maar eten zij het brood met onreine handen?” Hij antwoordde hun: “Hoe goed heeft Jesaja over jullie geprofeteerd, huichelaars [hypokrites, voorbij het oordeel], waar geschreven staat:
Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd! Tevergeefs vereren ze mij. Wat ze leren, zijn geboden van mensen. [Jes.29,13]
Terwijl je het gebod van God loslaat, hou je vast aan de traditie van mensen. ’t Is mooi: Je schaft het gebod van God af om je eigen traditie in stand te houden!
Want bijvoorbeeld: Mozes heeft gezegd: Eer je vader en je moeder, en: Wie aan zijn vader of moeder het kwade toezegt, moet sterven. [Ex.20,12]
Maar jullie zeggen: Als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: Alles waarmee ik jullie zou kunnen helpen is een korban – een offergave
[dus voor God bestemd, en niet voor de ouders], dan hoeft hij zijn vader en moeder niet meer te helpen.
Zo ontkracht je Gods woord door jullie eigen traditie. En je doet veel dergelijke dingen.”

Voor ons nu is het gemakkelijk om hoofdschuddend ons af te vragen: Waar waren ze toch mee bezig, die Joden? Al die futiele details die toch nergens toe leiden …
Maar laten we niet te snel zijn met ons oordeel! Het is makkelijk zo te spreken omdat we er in tijd en cultuur ver van af staan
en omdat wij het altijd zo gehoord hebben in de Evangelies. Maar zouden wij het ook zo gemakkelijk herkennen als het in ons eigen leven is?
Terwijl ongetwijfeld allerlei er-niets-toe-doende-futiliteiten ook in ons eigen dagelijks leven aanwezig zijn!
Behoorlijk veel dingen doen wij eigenlijk alleen maar zus of zo, omdát we dat ‘altijd zo hebben gedaan’.
De echte vraag is echter nog niet of ze nu nutteloos zijn of niet (kan ook wel eens bevrijdend zijn, die vraag te durven stellen),
maar wel: waarop zijn ze gericht? Geven ze uiting aan en maken ze mij en mijn medemens vrij voor een leven richting G-d?
Of spreken ze eigenlijk vooral over mezelf en wat ík belangrijk vind (en waar anderen dan meestal mee in de kou blijven)?
Dat is de vraag die Jezus stelt, ook aan mij vandaag.

Mc.7,14-23 (10/2/2021)

Toen hij de menigte weer bij zich had geroepen [na een onderhoud met de farizeeën (v.1-13)],
zei hij tegen hen: “Luister allen naar mij, en kom tot begrip!
Niets wat van buitenaf de mens binnenkomt kan hem ontwijden, maar wat van binnenuit de mens buitengaat, dat kan hem ontwijden.
Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
Toen hij van de menigte thuis was gekomen, vroegen zijn leerlingen hem naar die gelijkenis.
Hij zei tegen hen: “Zijn jullie ook zo onbegrijpend? Weet je niet dat al wat van buitenaf de mens binnenkomt, hem niet kan verontreinigen?
Want het gaat niet binnen in zijn hart, maar in zijn buik en gaat dan weer naar buiten, alle voedsel reinigend.
Maar wat van uit de mens naar buiten komt, dat ontwijdt hem. Want uit het hart van de mensen komen kwade gedachten naar buiten:
ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, boosaardigheid, bedrog, losbandigheid, een kwaad oog [afgunst], laster, hoogmoed, verdwaasdheid.
Al deze slechte dingen gaan van binnen naar buiten en zíj ontwijden de mens.”

Als regels en wetten het dreigen over te nemen van het hart dan kan Jezus niet lijdzaam blijven toezien.
Hij roept de menigte opnieuw samen en zet even de puntjes op de i.
Voor hem is het duidelijk. Gewijd (G-dgericht) leven heeft niets te maken met voedsel (dat wat van buiten komt).
G-dgericht leven vertrekt van binnen-uit, vanuit het hart (het meest wezenlijke). Het hart is immers, voor de Bijbelse mens (en dus ook voor Jezus),
het oriëntatiepunt van al wat hij zegt en doet. Daar vertrekt wat hij naar buiten toe laat zien, hoe hij leeft.
Regels en wetten kunnen niet verhinderen dat je leven (woord en daad) uitstraalt wat aan slechte gedachten in je hart leeft.
Dat verhinderen kan alleen door kritisch te onderscheiden wat in dat hart aan gedachten leeft.
Een oproep dus om in alle vrijheid (niet vrijblijvend) kritisch naar onze binnenkant te kijken en te komen tot onderscheiding.
Weet dat dit niet van-zelf-sprekend is maar gegarandeerd wel leven-gevend.