Verbonden Léven

Mc.7,31-37 (5/9/2021)

Jezus ging weer weg van het gebied van Tyrus en Sidon en kwam bij het meer van Galilea, in het gebied van Dekapolis. [dus aan de oostzijde van het meer, ook Helleens/’heidens’ gebied]
Men bracht hem een dove, die ook moeilijk sprak, en ze smeekten hem de handen op te leggen. Jezus nam hem uit de menigte apart, stak zijn vingers in zijn oren, spuwde en nam zijn tong vast. Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: “Effata!” – wat betekent: word geopend. Onmiddellijk openden zich zijn oren en werd de band van zijn tong los en kon hij gewoon spreken.
Jezus gebood hun het aan niemand te zeggen, maar hoe meer hij het verbood, hoe meer zij het verkondigden. Ze waren uitermate versteld en zeiden: “Alles doet hij goed! Doven doet hij horen en sprakelozen spreken.”

Men brengt een man bij Jezus. Hij hoort niet en spreekt moeilijk. Het kan niet anders dan dat dit gestoorde communicatie tot gevolg heeft. Er is een medische oorzaak (doofheid) voor die communicatiestoornis, maar er is ook sprake van een storing in het intermenselijke verkeer. De man kan (mag?) niet voor zichzelf spreken. Alles wordt door derden voor hem geregeld. De mensen om hem heen denken heel goed te weten wat hij nodig heeft (met de beste bedoelingen!).
Maar Jezus neemt hem weg uit die menigte, weg van onder de goedbedoelde, maar verstikkende laag van liefdadigheid, die de eigen stem smoort. “Ga open, Effata!”, zegt hij tégen hem. Hij spreekt hem aan. “Breek uit de stereotypen waarin mensen jou gevangenhouden”. Is dat niet wat ieder mens verlangt? Dat er Eén is die je aanspreekt, die je kent. Eén die je aanspreekt in je kwetsbaarheid, in je eigenheid en niet op je gebrek.
Dat is het wonder dat Jezus hier doet – en steeds opnieuw doet – nl. zeggen, als een belofte: “Ga, open!”

Mc.7,1-8.14-15.21-23 (29/08/2021)

Nu verzamelden zich de farizeeën en enkele schriftgeleerden, die uit Jeruzalem gekomen waren, bij Jezus. Zij merkten op dat sommige van zijn leerlingen met onreine – dat wil zeggen: ongewassen – handen het brood aten.
(De farizeeën en alle Joden eten immers nooit zonder eerst de handen te wassen – vasthoudend aan de traditie van de oudsten. Als ze bijvoorbeeld terugkomen van de markt, zullen ze niet eten zonder zich eerste te besprenkelen. Zo zijn er nog vele andere gewoontes waar ze aan vasthouden, zoals de onderdompeling van drinkbekers, kannen en koperen vaten.)
Nu vroegen de farizeeën en schriftgeleerden hem: “Waarom handelen jouw leerlingen niet naar de traditie van de oudsten, maar eten zij het brood met onreine handen?”
Hij antwoordde hun: “Hoe goed heeft Jesaja over jullie geprofeteerd, huichelaars [hypokrites, ondermaats van oordeel], waar geschreven staat: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd! Tevergeefs vereren ze mij. Wat ze leren, zijn geboden van mensen. [Jes.29,13] Terwijl je het gebod van God loslaat, hou je vast aan de traditie van mensen.
Toen hij de menigte weer bij zich had geroepen zei hij tegen hen: “Luister allen naar mij, en kom tot begrip! Niets wat van buitenaf de mens binnenkomt kan hem ontwijden, maar wat van binnenuit de mens buitengaat, dat kan hem ontwijden. Want uit het hart van de mensen komen kwade gedachten naar buiten: ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, boosaardigheid, bedrog, losbandigheid, een kwaad oog [afgunst], laster, hoogmoed, verdwaasdheid. Al deze slechte dingen gaan van binnen naar buiten en zíj ontwijden de mens.”

Als regels en wetten het dreigen over te nemen van het hart dan kan Jezus niet lijdzaam blijven toezien. Hij roept de menigte opnieuw samen en zet even de puntjes op de i.
Voor hem is het duidelijk. Gewijd (G-dgericht) leven heeft niets te maken met voedsel (dat wat van buiten komt).
G-dgericht leven vertrekt van binnen-uit, vanuit het hart (het meest wezenlijke). Het hart is immers, voor de Bijbelse mens (en dus ook voor Jezus), het oriëntatiepunt van al wat hij zegt en doet. Daar vertrekt wat hij naar buiten toe laat zien, hoe hij leeft. Regels en wetten kunnen niet verhinderen dat je leven (woord en daad) uitstraalt wat aan slechte gedachten in je hart leeft. Dat verhinderen kan alleen door kritisch te onderscheiden wat in dat hart aan gedachten leeft.
Een oproep dus om in alle vrijheid (niet vrijblijvend) kritisch naar onze binnenkant te kijken en te komen tot onderscheiding. Weet dat dit niet van-zelf-sprekend is maar gegarandeerd wel leven-gevend.

Mc. 8,27-35 (12/09/2021)

Jezus ging met zijn leerlingen van daar weg naar de dorpen van Caesarea van Filippi [ca. 40km noordelijker, aan de voet van de Hermon, bij de bronnen van de Jordaan; overwegend heidens]. Onderweg vroeg hij hen: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?”
Ze antwoorden: “Ze zeggen: Johannes de doper; anderen zeggen Elia, of nog anderen één van de profeten.”
Toen vroeg hij hun: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?” Petrus antwoordde: “Jij bent de Gezalfde [Christos/Messiah]!” Streng zei hij hen hierover met niemand te spreken.
Hij begon hen te onderrichten dat het ‘moest’ [=noodzakelijk, in de lijn v.d. Bijb./Goddelijke logica v.d. Liefde] dat de mensenzoon veel zou lijden en worden verworpen door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, dat hij zou worden gedood en na drie dagen opstaan. Hij zei dit vrijmoedig [= in blij vertrouwen].
Petrus nam hem apart en begon hem hierover te weerleggen. Maar Jezus keek om naar zijn leerlingen en sprak Petrus streng toe: “Ga weg, achter mij, weerstrever [satan], want wat je bedenkt is niet van God, maar van mensen.”
Nu riep hij zijn leerlingen en de grotere kring bij zich en zei hen: “Wie de bedoeling heeft achter mij aan te komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, en mij volgen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen,
maar wie zijn leven verliest omwille van mij en de bevrijdende boodschap [euangellion],
die zal het redden.

Toch wel een rare les die Jezus aan zijn leerlingen (wíj dus!) onderricht. Er is nog maar net ‘hiep-hoi’ geroepen – jij bent de gezalfde! – of hij komt ermee dat dat lijden, verwerping en dood met zich mee zal brengen. Realiseren wij het ons voldoende wat voor meester wij volgen (of zéggen te volgen)? Hij laat er immers geen twijfel over bestaan dat het voor wie achter hem aan wil komen (wíj dus), niet anders zal zijn dan voor hem!
Is het Christendom dan toch – zoals sommigen beweren – één boodschap van kommer en kwel? Vandaag horen we inderdaad vooral die ene kant. Maar het is de kant die ‘enkel’ de consequentie is van de andere, namelijk die van een leven in en vanuit de Liefde.
Ga het maar even na in je gewone menselijke leven. Óveral waar je wat ernstig ingaat op waarachtige liefde, zúl je ook uitkomen bij … lijden! Liefde en lijden lijken onlosmakelijk met elkaar Verbonden.
En als dat al zo is bij onze beperkte menselijke liefde … Wat als wij in de sporen willen proberen te lopen van een G-ddelijke, zonder-maatse Liefde …

 

Mc.9,2-10 (06/08/2021)

Zes dagen later [na de eerste lijdensvoorspelling] nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee naar een hoge berg, geheel alleen. Daar werd hij voor hun ogen van gedaante veranderd. Zijn kleren werden glanzend, hel wit, zoals geen wolbewerker op aarde ze wit kan maken. Elia en Mozes verschenen aan hen; zij waren in gesprek met Jezus.
Petrus reageerde tegen Jezus: “Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten maken, één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia.” Want hij wist niet wat te zeggen; ze waren immers van vrees bevangen.
Nu overschaduwde hen een wolk en een stem uit de wolk zei: “Dit is mijn geliefde zoon, luister naar hem.”
Plots rondkijkend, zagen zij niemand meer bij zich dan alleen Jezus.
Toen zij van de berg afdaalden, gebood hij hun aan niemand te vertellen wat ze gezien hadden dan wanneer de mensenzoon zou zijn opgestaan uit de doden. Ze bewaarden deze woorden bij zichzelf, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat dat ‘opstaan uit de doden’ betekende.

Wat is daar nu eigenlijk gebeurd op die ‘hoge berg’? Geen evangelist die het duidelijk kan maken, net zoals het ‘stralende wit zoals geen wolbewerker wit kan maken’!
Heb jij zo geen ervaringen gehad? Iets waarvan je heel duidelijk weet: Dit heeft iets met mij gedaan, dit heeft iets belangrijks voor mij betekend, maar ik kan het met geen pen beschrijven.
Ja, zo’n ervaring komt wel eens op ons af, maar ze zijn geen alledaagsheid. Het zijn ‘top-ervaringen’ in alle betekenissen van dat woord.
En ze hoeven ook geen alledaagsheid te worden, want we dragen ze met ons mee, vaak het hele vervolg van ons leven door! Ook in die zin zijn ze ‘top-ervaring’: ze worden een soort scharnier; er is een leven ‘voor’ en ‘na’. En de diepe en brede betekenis ervan laat zich pas geleidelijk aan kennen.
Op het ogenblik van de ‘feiten’ begrepen de leerlingen amper iets van wat daar gebeurde, maar ze werden er wel door gesterkt om de moeilijke dagen van Jezus’ lijden en dood te door-staan, en er uit op te staan, getuigend van een levende God. – Tot dat getuigenis ook ons bereikt!
Misschien wordt ik vandaag wel uitgenodigd mee die berg op te gaan …

Mc.9,30-37 (19/ 09/2021) 

Ze gingen van daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het wist, want hij onderrichtte zijn leerlingen. Hij zei hen: 
“De mensenzoon wordt uitgeleverd in de handen van de mensen, en ze zullen hem doden en na drie dagen zal hij opstaan.”
Zij begrepen dat woord echter niet, maar schrikten ervoor terug hem ernaar te vragen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Thuis gekomen, vroeg hij hun: “Waarover ging jullie gesprek onderweg?” Maar ze bleven zwijgen, want ze hadden het erover gehad wie de grootste was.
Hij ging zitten en riep de twaalf. Hij zei hen:
“Als iemand wil de eerste zijn, zal hij van allen de laatste zijn en van allen een dienstknecht.”
Hij nam een kind op en zette het in hun midden. Hij omarmde het en zei:
Wie in mijn naam één van zulke kinderen bij/in zich opneemt, neemt mij op, en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar wie mij gezonden heeft.”

Als Jezus een kind in het midden zet, is dat omwille van één heel specifieke eigenschap: nl. de pretentieloze ontvankelijkheid van een kind. Daar kunnen volwassenen veel van leren. Een kind kent die pretentie niet waarmee wij, volwassenen, toch dikwijls menen onze persoonlijkheid te moeten bevestigen en zo in concurrentie komen te staan met anderen. Een kind leeft niet van concurrentie maar van verbondenheid met anderen. De vanzelfsprekende kleinheid van een kind maakt hen tegelijk ontvankelijk voor het grootse. G-ds grootheid laat zich juist zien in de Lévenskracht van het kleine, het onaanzienljke.
Het mooie is … dat ‘iedereen’ het kan ’leven in kleinheid’. Je hebt er geen universitair diploma voor nodig, je hoeft niet in staat te zijn om werkwoorden en onderwerpen te doen overeenstemmen en je hoeft ervoor niet fysisch sterk te zijn. Je hebt alleen een hart nodig dat aangeraakt is door de genade, door de liefde en dan de nodige moed om van daaruit te leven.