Verbonden Léven

Sacramentsdag

Joh. 6,51-58 (11/06/2020)

In die tijd zei Jezus tot de menigte der Joden: 'Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.'
De Joden geraakten daarover met elkaar aan het twisten en zeiden: 'Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?'
Jezus sprak daarop tot hen: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als jij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt,
heb je het leven niet in jou. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem.
Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij.
Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen, die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn:
wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.'

Sacramenten zijn voor mij al die momenten in het leven waarin er iets gebeurt tussen ‘G-d’ en mij.
Die momenten waar er een vonk overspringt van ‘G-d’ zodat in mij hemel en aarde elkaar raken. Wat er precies gebeurt, blijft een mysterie.
Het enige dat ik weet is dat het momenten zijn van intense nabijheid. In sacramenten geeft ‘G-d’ mij iets prijs van het ongrijpbare
- tenminste als ik ervoor opensta. Dan komt Hij, te midden van het sacrament, als de grote afwezige aanwezig. Ik kan Hem niet grijpen,
niet aanwijzen terwijl ik intuïtief besef en weet heb van het feit dat Hij er is.
Als Johannes vandaag (in het kader van sacramentsdag) spreekt over Jezus’ vlees, dan is dat voor mij zijn hele mens-zijn.
Dit ‘vlees’ eten (het sacrament van de Eucharistie) betekent dan dat ik mij Jezus’ leven eigen maak. Ik neem het in mij op, kauw en herkauw het
en laat het in mij verteren. En zo verbind ik mij al etende met zijn concrete manier van leven en sterven. Zo maak ik mij die liefde eigen en word één met wie ik eet.

Joh. 6,52-59 (01/5/2020)

In die dagen geraakten de Joden met elkaar in twist en zeiden: 'Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?'
Jezus sprak daarop tot hen: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet
en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven
en ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem. Zoals ik door de Vader die leeft
gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die mij eet leven door mij.
Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn:
wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.' Dit zei Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.

Voor de Joden is het helemaal niet meer duidelijk. Wat hier wordt gezegd gaat voor hen te ver. Dit kunnen (willen) ze niet meer verstaan.
Voor Jezus is het nochtans heel helder. Het is éénvoudig zegt hij. Het gaat gewoon over relatie, liefde en verbondenheid.
Het gaat over leven, een leven dat vertrekt en eindigt bij de verbondenheid met de Vader zegt hij. Over een liefdesrelatie die verbindt, één maakt, leven geeft daarover gaat het.
Zo een relatie reikt veel verder dan woorden. Liefde, verbondenheid moet je niet analyseren neen die moet je proeven.
Sterker nog eten. En al etende die liefde eigen maken en één worden met wie je eet.
Hij geeft zijn vlees en bloed. Hij geeft zijn leven en vraagt ons om hem te eten, toe te laten en te verteren zodat hij in ons kan gebeuren van binnenuit.
Word wie je eet, eet wie je wordt! Dan zal zijn Liefde ook jou voeden, omvormen van binnenuit en leven geven, eeuwig leven. Dan zal je leven, opgegeten en weten dat je leeft!

 

Joh.6,52-59 (23/4/2021)

In die dagen geraakten de Joden met elkaar in twist en zeiden: 'Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?' Jezus sprak daarop tot hen: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als je het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, heb je het leven niet in jou. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem. Zoals Ik door de Vader die leeft gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.' Dit zei Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.

Hier gaat Jezus voor sommigen een grens over en dat brengt onderling spanningen met zich mee. Wat hier wordt gezegd gaat voor hen te ver. Dit kunnen (willen) ze niet meer verstaan.
Voor Jezus is het nochtans heel helder. Het is éénvoudig, zegt hij. Het gaat gewoon over relatie, liefde en verbondenheid.
Het gaat over leven, een leven dat vertrekt en eindigt bij de verbondenheid met de Vader, zegt hij. Over een liefdesrelatie die verbindt, één maakt, leven geeft. Zo een relatie reikt veel verder dan woorden. Liefde, verbondenheid moet je niet analyseren. Neen die moet je proeven. Sterker nog eten: En al etende die liefde eigen maken en één worden met wie je eet.
Hij geeft zijn vlees en bloed. Hij geeft zijn leven en vraagt ons om hem te eten, toe te laten en te verteren zodat hij in ons kan gebeuren van binnenuit.
Word wie je eet, eet wie je wordt! Dan zal zijn Liefde ook jou voeden, omvormen van binnenuit en leven geven, ‘eeuwig leven’ (‘vol leven’). Dan zal je leven, opgegeten, en weten dat je leeft!

Joh. 6,60-69 (02/5/2020)

In die tijd zeiden velen van zijn leerlingen: 'Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar hem te luisteren?'
Maar Jezus die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hen: 'Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar hij vroeger was...? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut.
De woorden die ik tot u gesproken heb zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u die geen geloof hebben.'
Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie hem zou overleveren.
Hij voegde er aan toe: 'Daarom heb ik u gezegd dat niemand tot mij kan komen als het hem niet door de Vader gegeven is.'
Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
'Wilt ook gij soms weggaan?' Simon Petrus antwoordde hem: 'Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat gij de Heilige Gods zijt.'

Het enthousiasme van de broodvermenigvuldiging was geluwd. Het zakte nog dieper na zijn woorden over ‘je leven geven’, ‘hem eten’ en ‘in verbondenheid leven met de Vader’.
Van al die toehoorders bleven er niet veel meer over. Werd het te warm onder hun voeten? Werd het te confronterend?
Toegegeven, Jezus’ manier van leven stond in fel contrast met de keiharde politiek. Even fel als dat vandaag het geval is.
Het was dus ongetwijfeld voor hen allemaal moeilijk te verstaan en dus geen evidente keuze. Zij hadden tenslotte andere verwachtingen, net als wij vandaag: materiële zekerheid, economische vooruitgang, eigenbelang,...
Maar Jezus’ boodschap is er net één van alles of niets, van nederigheid, zachtmoedigheid en trouw. Trouw, niet aan enige menselijke macht, maar aan God zelf.
Om dat te kunnen leven en daarin stand te houden, hebben we voedsel nodig en, zoals Petrus het zegt, ‘Woorden van eeuwig leven’.
Deze Woorden schudden ons wakker en roepen ons op. Ze bemoedigen ons en doen ons verbonden leven, zodat wij een keuze kunnen maken: blijven of weggaan?

 

Joh.6,60-69 (24/4/2021)

In die tijd zeiden velen van zijn leerlingen: 'Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?' Maar Jezus die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hen: 'Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was...? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u die geen geloof hebben.'
Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zou overleveren. Hij voegde er aan toe: 'Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen als het hem niet door de Vader gegeven is.' Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: 'Wilt ook gij soms weggaan?' Simon Petrus antwoordde Hem: 'Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de heilige Gods zijt.'

Jezus’ leerlingen ergeren zich! Het is dan ook niet evident wat hij zegt en vraagt. Er zal een fundamentele keuze gemaakt moeten worden: reageren als een ‘eisende, veroordelende en overheersende’ mens of, in zijn geest, reageren als een ‘dankbare, zich-gevende en dienstbare’ mens. Geloof wordt immers pas écht leven-gevend als het je van binnenuit verandert, door het eten van het brood. Jezus zegt het heel duidelijk: neen, ik ‘geef’ geen brood, maar ik ‘bén’ het brood dat gegeten moet worden. Omdat bij hem alleen maar waarheid – die leven is – te vinden is in het geven van jezelf, daarom ergeren zij zich. Daarom ook vertrekt de een na de ander. Gelukkig zijn er ook enkelen gebleven en kozen zij bewust voor die fundamentele verandering van leven. Dank zij hen gaat zijn verhaal door, ook nu nog. En wil het blijven door gaan, dan zullen ook wij een eerlijk antwoord moeten geven op diezelfde fundamentele vraag: “Wil ook jij weggaan?”

 

Joh. 7,1-2.10.25-3(27/3/2020)

In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want hij wilde dat niet in Judea doen omdat de Joden erop uit waren hem te doden. Het liep tegen een van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest.
Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan vertrok hij ook, niet openlijk maar onopvallend.
Enkele Jeruzalemmers zeiden: 'Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En zie nu eens, hij staat in het openbaar te preken en men zegt hem niets!
Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben dat hij de messias is? Maar van deze man weten wij waar hij vandaan is; wanneer echter de messias komt weet geen mens waar hij vandaan komt.'
Terwijl Jezus in de tempel leerde riep hij met luide stem: 'Gij kent mij en gij weet waar ik vandaan ben; toch ben ik niet uit mijzelf gekomen maar hij die mij gezonden heeft is waarachtig;
hem kent gij niet. Ik ken hem omdat ik uit hem ben en hij mij heeft gezonden.' Ze wilden zich van hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan hem want zijn uur was nog niet gekomen.

Het is een beetje onduidelijk in dit stuk tekst of het nu in de openbaarheid zich afspeelt, of net niet. In Galilea of Jeruzalem?
Ik denk dat deze onduidelijkheid weerspiegelt welke andere – meer fundamentele – onduidelijkheid hier aan de orde is.
Het speelt ergens tussen ‘weten’ (weten vanwaar, weten hoe het eruit ziet) en ‘niet-weten’, tussen ‘uit mezelf’ (in eigen naam, eigenmachtig) en ‘niet uit mijzelf’.
Dat de Messias ‘niet uit zichzelf’ zou komen, maar van Godswege gezonden wordt, was natuurlijk voor iedereen evident. Maar dat hij dit ook zou doen via iemand die ze wél (menen te) kennen,
van wie ze weten waar hij (maar) vandaan komt, dát was blijkbaar voor de Joodse religieuze leiders van die tijd moeilijk te accepteren.
Maar zou ik beter doen?
In deze tijd van erg beperkte bewegingsruimte mogen en kunnen we het niet ver gaan zoeken. Maar misschien brengt iemand uit mijn onmiddellijke omgeving mij vandaag wel iets van heil!
Of zal ik dat niet zien, niet accepteren, omdat ik weet ‘waar het vandaan komt’?