Verbonden Léven

Joh.6,22-29 (19/4/2021)

Het volk dat aan de ene kant van het meer was gebleven na de wonderbare broodvermenigvuldiging, had gezien dat daar maar één bootje gelegen had en dat Jezus niet met zijn leerlingen was scheep gegaan maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken. De volgende dag echter kwamen er bootjes uit Tiberias dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten na het dankgebed van de Heer. Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren, gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus.
Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: “Rabbi, wanneer ben je hier gekomen?” Jezus nam het woord: “Amen, Amen, ik zeg jullie: Niet omdat je tekenen hebt gezien, zoeken jullie mij, maar omdat je van de broden hebt gegeten tot je honger was gestild. Werk niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft voor het volle leven dat de mensenzoon je zal geven. Op hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt.”
Daarop vroegen zij hem: “Welke werken moeten wij voor God verrichten?” Jezus antwoordde: “Dit is het werk dat God van jullie vraagt: te vertrouwen in degene die hij gezonden heeft.”

Een lange inleiding om het gebeuren te situeren. Het zegt alvast wel dat die mensen veel moeite doen om Jezus te zoeken! En toch is Jezus er niet gerust op. Ze zoeken hem niet om de tekens, maar om het brood. Eigenlijk zijn ze alleen uit op een gemakkelijke en oppervlakkige voldoening aan hun behoeften, maar ze stoten niet door naar de diepere betekenis van het gebeuren van de broodvermenigvuldiging.
En ik, wat voor voedsel zoek ik? Waar steek ik mijn energie en tijd in? In dingen die mijn noden oppervlakkig bevredigen? Of durf ik kiezen voor voedsel dat blíjft? We denken vaak over onszelf dat we zoeken naar ‘het volle leven’. In werkelijkheid is onze keuze daarvoor vaak erg halfslachtig en haken we al snel af als we de consequenties van dat ‘volle leven’ beginnen te ontwaren.
Het ‘teken’ waar het in de broodvermenigvuldiging om gaat, is dat van de Eucharistie: brood – een leven – is er om weg te geven, om te breken en te delen! Dat kán! – als er vertrouwen is – Jezus deed het ons voor.

 

Joh.6,30-35 (28/4/2020)

In die dagen zei de menigte tot Jezus: 'Wat voor tekenen doet gij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in u moeten geloven?
Wat doet gij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat:
Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.' Jezus hernam: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.'
Zij zeiden tot hem: 'Heer, geef ons te allen tijde dat brood.' Jezus sprak tot hen: 'Ik ben het brood des levens:
wie tot mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.'

Is Jezus voor mij genoeg om van te leven? Is hij mijn (enige) levensbrood? Of waarmee vul ik mij zoal?
Jezus noemt zichzelf (in de woorden van Johannes) ‘meer’ dan het manna uit de woestijn. Dat klopt uiteraard omdat hij zint op het innerlijk voedende,
en net niet op het louter fysieke. Toch gaat de vergelijking wel voor een deel op. Net zoals de Israëlieten in de woestijn geen manna mochten verzamelen voor meerdere dagen
– ze moesten er leren op vertrouwen dat God ook de volgende dag wel voor hen zou zorgen – is het voor Jezus’ leerlingen (wij dus) zaak om er op te leren vertrouwen
dat God alleen genoeg is voor mijn leven!
Wég alle zorgen om de dag van morgen! Weg alle kramp om de handhaving van mijn eigen ikje! Weg alle angst voor mijn medemens!
Alle honger en dorst naar een vervuld leven is dan gestild!

Joh.6,30-35 (20/4/2021)

De mensen vroegen Jezus: “Wat voor teken doe jij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in jou moeten vertrouwen? Wat doe jij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.”
Jezus antwoordde: “Amen, amen, ik zeg jullie: Wat Mozes jullie gaf, was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt jullie door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.”
Nu zeiden ze hem: “Heer, geef ons te allen tijde dat brood!” En Jezus zei: “Ik ben het brood van het leven: wie naar mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij vertrouwt, zal nooit meer dorst krijgen.”

Johannes gaat nog wat verder over dat ‘teken van het brood’. De vergelijking met het manna in de woestijn (dat de Israëlieten kregen tijdens hun uittocht, zie Ex.16) ligt voor de hand: het is levensbrood van G-d gegeven. Toch gaat het met Jezus nog een belangrijke stap verder. Ook al zag het teken er uiterlijk uit als echt brood, bij Jezus gaat het niet om het geven van ‘iets’, maar van ‘iemand’! G-d geeft zichzelf aan de mensen, in de persoon van Jezus; Jezus geeft zichzelf aan de mensen, in zijn wijze van leven, tot de uiterste Liefde toe.
Dit alles laat zich samenvatten (in het Grieks: sym-ballein) in het teken van het brood.
Dit alles is wat Christenen vieren in de Eucharistie – nog zo’n Grieks woord dat ons voert naar de kern van waar het over gaat: Danken!
Wie dankend in het leven staat, zal zíen wat hem/haar gegéven wordt, en zo groeien in het vertrouwen dat het Léven altíjd gegeven wordt!

 

Joh.6,35-40 (21/4/2021)

In die tijd zei Jezus tot de menigte: 'Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen. Maar Ik zei jullie reeds dat jullie toch niet geloven, hoewel jullie Mij hebben gezien. Al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt zal Ik niet buitenwerpen. Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft; en dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan maar het doet opstaan op de laatste dag. Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die, wanneer hij de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.'

We lazen het vorige week: G-d schenkt ons zijn enige Zoon, ondanks alles, ondanks (of misschien juist omwille van) al ons menselijk geklungel. Hij schenkt hem onvoorwaardelijk, uit Liefde! Vandaag mogen we lezen over de verbondenheid die leeft tussen de Vader en Jezus. Ook hij heeft weet van al dat menselijk geklungel. Hij heeft het gezien, reeds lang: zij geloven niet in hem. En toch gaat hij met hen op weg. En toch zijn zij het aan wie hij zich volledig laat zien. Hij roept hen als zijn leerlingen “want, zegt hij ik ben niet gekomen om mijn eigen wil te doen maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft.” Daarvoor is hij gekomen, zodat niets of niemand verloren zou gaan en ieder tot z’n recht mag komen. Zodat allen zullen opstaan en alle ruimte van leven krijgen. Dat is de wil van zijn Vader, van onze Vader.
Als we dan bidden ‘Uw wil geschiedde’ is het ook aan ons om zó te leven dat ons leven één grote getuigenis wordt van G-d een leven-IN-vertrouwen.

 

Joh. 6,44-51 (30/4/2020)

In die dagen zei Jezus tot de menigte: 'Niemand kan tot mij komen als de Vader die mij zond hem niet trekt;
en ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Er staat geschreven bij de profeten: En allen zullen door God onderricht worden.
Alwie naar de leer van de Vader geluisterd heeft komt tot mij. Niet dat iemand de Vader gezien heeft:
alleen degene die uit God is, heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: wie gelooft heeft eeuwig leven.
Ik ben het brood des levens. Uw vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven;
maar dit brood daalt uit de hemel neer opdat wie ervan eet niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.'

Om bij Jezus te komen zal een andere levenshouding nodig zijn dan deze die de maatschappij lijkt aan te praten. Het initiatief hiervoor ligt elders zegt hij.
Ik zal dus het initiatief uit handen moeten geven. Mijn leven loslaten en toelaten om getrokken te worden naar ‘god’ weet waar.
Ik zal me moeten toevertrouwen aan het Mysterie, ongezien en meegaan, me verbinden. En dat te midden van een maatschappij die maakbaarheid promoot
en voorschrijft hoe belangrijk het is om alle touwtjes stevig in eigen handen te houden.
Daar naast biedt Jezus zich aan als leven-gevend brood. Hij die zijn leven geeft voor de wereld nodigt uit om van dit brood te eten. Dat geeft leven en doet leven geven.
Ook deze gedachte is niet populair vandaag de dag. Je leven moet je niet geven maar vol-op leven (you only live once) en genieten ten koste van…
Een manier van leven dus die haaks staat op het maatschappelijke denken maar die de maatschappij zou kunnen omvormen.
Een levenswijze die zorgt voor verbondenheid en die uitdaagt om te durven leven-IN-vertrouwen.
Is dit té vreemd om geleefd te worden?

Joh.6,44-51 (22/4/2021)

In die dagen zei Jezus tot de menigte: 'Niemand kan tot Mij komen als de Vader die Mij zond hem niet trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Er staat geschreven bij de profeten: 'En allen zullen door God onderricht worden.' Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft komt tot Mij. Niet dat iemand de Vader gezien heeft: alleen degene die uit God is, heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie gelooft heeft eeuwig leven. Ik ben het brood des levens. Uw vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven; maar dit brood daalt uit de hemel neer opdat wie ervan eet niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.'

Niemand heeft Jou ooit gezien. Het is maar al te waar, dat weten we uit eigen ervaring. Maar we hebben wel een naam: ‘Ik die ben’. Het is een naam die hij bekend maakte op het moment dat hij de ellende van zijn mensen had gezien. Het is dus niet zomaar een aanwezigheid, maar een aandachtige, liefdevolle aanwezigheid. Je kan dus gerust zeggen dat zijn naam ‘Liefde’ is. Maar is dat geen contradictie? ’Nooit gezien’ suggereert toch afstand; maar er blijkt juist een grote nabijheid te zijn, in liefde. G-d is ongrijpbaar, zoals liefde dat ook is; maar hij is ook heel intens aanwezig, zoals liefde dat ook kan zijn. Niemand heeft ooit G-d gezien, maar Hij heeft een gezicht gekregen in Jezus die zich aanbiedt als leven-gevend brood. Hij is brood dat gegeten moet worden, Liefde die ‘te doen’ is. Als wij eten van dat brood, dan zeggen we dat we zo willen leven: liefdevol, alert en zorgzaam voor elkaar, recht doend aan ieder mens. Als wij dat brood eten en als wij liefde doen en misschien wel liefde zijn, dan brengen ook wij iets in beeld van G-d. Dan zal de dood (zinloosheid, leegte, geen leven) niet meer zijn. Dan zal er ‘eeuwig leven’(‘vol leven’) zijn!